10 december 2008

Waar is de woede?


Paniek op de beurs van New York, 1907.



Er zijn dagen dat ik de wereld wil slaan.
Om zijn domheid.
Zijn kortzichtigheid.
Zijn machtsmannetjes.
Zijn hebzucht.
Zijn zelfgenoegzaamheid.
Geen erger weapon of mass destruction dan mijn soort.
De bom! De bom!

Ja, er is Beethoven en er is Shakespeare, antibiotica en het Louvre, algemeen stemrecht en Venetië - leve de dialectiek en ik hoor u alweer Walter Benjamin citeren. Maar niettemin.


Quo usque tandem abutere, Capitalista, patientia nostra? Het wordt met de dag hemeltergender: hoe politici in dit halfrond er niet in slagen ook maar één originele gedachte te ontwikkelen die een zweem van een glimp van een schijn van een fractie van een oplossing zou kunnen bevatten voor de economische epilepsie-aanval die de wrede vrije markt andermaal - voor de zoveelste keer al in de geschiedenis - heeft uitgelokt.
De zoveelste depressie van dit manische systeem.

Hoe de diagnose ook luidt, de remedie is altijd dezelfde: more of the same.
Geleuter over centen en procenten.
Het denken achter de komma.
Morrelen, schipperen, neuzelen.
Maar uiteindelijk: geen millimeter spatie tussen feit en wens.

Meer dan ooit zijn politici de handlangers van krachten die ze nauwelijks doorgronden en al helemaal niet beheersen. Strandjutters. Ijdele slaven die zich schminken in de glans van hun boeien. Meer dan ooit is politiek de bezemwagen die achter de feiten aanrijdt. We hebben geen keus! jammert het gilde al maanden. En dus doet het wat het zegt te moeten doen: lief zijn voor Freddie en Fannie, plots instortende banken stutten, fors lenen, btw en rentevoeten verlagen, de begroting een beetje in het rood laten gaan - en als er geen geld meer is, dan drúkken we geld. Allemaal noodgrepen binnen de logica van een systeem, dat precies door diezelfde logica deze problemen over zich heeft afgeroepen.

“Het kan niet de bedoeling zijn dat de winsten geprivatiseerd worden en het verlies gesocialiseerd,” aldus de hoofdredacteur van The Economist vorig weekend in De Morgen. Dat is me dunkt wel degelijk de bedoeling van sommigen, en dat is in ieder geval wat nu ophanden is. Zoiets zou in een minder comateuze wereld een gevaarlijke volkswoede uitlokken. Maar niet in onze beste aller mogelijke werelden, waar niemand buiten de sjablonen denkt. Ik vraag me af hoe slecht slecht nieuws moet zijn om vadsig Europa nog tot enige vorm van opstand te kunnen bewegen.

Ondertussen marcheert het parmantige volkje der commentatoren en opiniemakers en columnisten achter de feiten aan, als de muziekkapel over het dek van de Titanic. Kweelde diezelfde hoofdredacteur van The Economist in zijn debardeur: “Kapitalisme is een goede zaak. Daar zou zelfs geen discussie over mogen bestaan. Het einde van de vrije markt zou pas echt een wereldramp zijn.” De journalist als cheerleader. Opsluiten moesten ze zo’n man. Uithongeren. De vrije markt is een catwalk in een mijnenveld. De beurs is een machtiger en wispelturiger sfinks dan het Grieks orakel ooit is geweest. Vergeleken bij Wall Street is Lourdes een sciëntistisch bolwerk. Maar geen politicus - van groen tot donkerbruin - die de macht van de sfinks fundamenteel in vraagt stelt. Dat is wat deze financiële en economische crisis zo schrijnend duidelijk heeft gemaakt: de politieke klasse heeft geen macht, geen ideeën, geen lef. Boven het bidet van het parlement spoelt de vrije markt haar kut.


Pijnlijk ook, hoe zo’n hoofdredacteur een systeem bejubelt waarvan de logische gevolgen momenteel in zijn eigen vakgebied een kleine ravage aanrichten. Niet onder hoofdredacteuren wellicht. (Misschien moesten persbedrijven in moeilijkheden, voor ze aan het infuus van de overheidshulp gaan, eerst maar eens hun loonschalen publiceren. Het afvijlen van een paar toplonen zou wellicht enige C4’tjes kunnen schelen.)

En dan de intellectuelen. De schrijvers. De kunstenaars. De filosofen. Het danst en het tobt en het kliedert en het schrijft zijn schriftjes vol, naarstig, vlijtig, braaf. Het vent zijn gesubsidieerde onbehagen, het moppert obligaat, me quoque, en hoopt stiekem op een prijsje. De vrome schlagerzangers der cultuurkritiek, wie maalt nog om hun rebelse refreintjes? Als een minister van Buitenlandse Zaken de subversieve kracht van de kunst gaat loven, zoals Karel De Gucht vorige zaterdag in deze krant deed, dan weet je hoe het met de subversieve kracht van de kunst gesteld is.

Nergens zie ik echte woede. Nergens leidt deze diepe en alomvattende crisis tot een diepgaande culturele introspectie, nergens groeit uit het puin een politiek significante tegenbeweging. How many times can a man turn his head, pretending he just doesn’t see? kraste Bob Dylan ruim veertig jaar geleden. Het is nog steeds een open vraag.

28 oktober 2008

Over Hitler, Yves Desmet en forel in botersaus

De VRT heeft in extremis besloten om een programma over het lievelinsgegerecht van Adolf Hitler niet uit te zenden. In De Morgen had journalist Yves Desmet het meteen over ‘censuur’, en noemde hij het besluit van de VRT ‘dom’. Desmet vergist zich.

Het programma over Hitlers lievelingsgerecht maakt deel uit van een reeks die een Franse titel draagt, Plat Préféré. In die reeks kookt kok Jeroen Meus de lievelingsgerechten na van beroemde mensen, zoals Jacques Brel, Maria Callas en Salvador Dalí. Een nogal idioot ideetje voor een Canvasprogramma, maar goed, het kunnen niet alle dagen boekenprogramma’s zijn en koken is blijkbaar erg in op de treurbuis.

Voor die reeks trok Meus dus ook naar Berchtesgaden, waar hij in het Adelaarsnest het lievelingsgerecht van de Führer bereidde: forel met botersaus. En die aflevering is nu, onder zware druk van allerlei instanties en individuen, afgevoerd. We wilden immers “de perceptie vermijden dat we van Hitler een ‘icoon’ maken,” aldus VRT-woordvoerdster Diane Waumans vandaag in De Morgen. “Het was een foute inschatting om deze documentaire in een reeks te plaatsen waarin alle andere protagonisten beroemdheden zijn in de positieve zin van het woord,” zei Waumans nog. “Daardoor is ten onrechte het beeld ontstaan dat het programma Hitler zou vermenselijken of -erger nog- zou verheerlijken.”

Programma afgevoerd - tot grote opluchting wellicht van ondere andere Luc Van der Kelen (politiek journalist bij Het Laatste Nieuws), en Luckas Van der Taelen (gewezen groen Europarlementslid), die beiden voor dit verbod hadden gepleit.

Desmet schoot met scherp op de motieven van wat hij “de forellenverbranders” noemde, maar hij mikte verkeerd. Ten eerste reconstrueerde hij de bezwaren van (onder andere) Van der Kelen en Van der Taelen in een verkeerd perspectief. Hij schreef: “Het probleem was dus dat er een programma zou uitgezonden worden waarin iets verkondigd zou kunnen worden dat de beide heren niet welgevallig in de oren klinkt.” (Bemerk de ironiserende, wat spottende formulering, bedoeld allicht om de inhoudelijke zwakte van het beweerde te camoufleren.)

Dat was helemaal niet het probleem. Ik heb de aflevering niet gezien, Desmet ook niet, u ook niet, maar ik begrijp dat het hier over een kookprogramma gaat waarin niét werd verkondigd dat Hitler een fijn mens was, maar dat hij graag forel met botersaus at. De bezwaren van VDK en VDK golden natuurlijk niet de culinaire voorkeuren van de Führer alszodanig. Het was hen niet te doen om de forel an sich. Hun ‘probleem’ had wellicht helemaal niets te maken met wat in het programma werd verkondigd, maar met context, interpretatie, ongewenste conclusies, de gevreesde iconisering waarover Waumans het had.

En Desmet vervolgde:
“Daarmee maken ze een redeneringsfout die tot op heden vooral in kringen rond het Vlaams Belang furore maakte: ook daar wordt vrijheid van meningsuiting verengd tot de verdediging van de eigen meningsvrijheid.”

Zo gemakkelijk kan kritiek dus zijn. Iemand maakt bezwaar tegen een culinair programma rondom Adolf Hitler omdat hij denkt dat daardoor verkeerde signalen worden uitgezonden, en zelfs als hij zich daarin zou vergissen: het geeft toch geen pas om wie zulke bezwaren formuleert dan maar meteen met de abjecte ideologie van extreem-rechts in verband te brengen? Wie doet nu zoiets? Wat verklaart het? Wat verduidelijkt het? Bovendien, waarom zou het “verengen” van de “vrijheid van meningsuiting” tot de “verdediging van de eigen meningsvrijheid” een “redeneringsfout” zijn die “vooral” in extreem-rechtse kringen voorkomt? Zou dit verschijnsel zich niet ook ter extreem-linkerzijde voordoen? En wat is dan de “eigen meningsvrijheid” die VDK en VDT hier hebben willen verdedigen? Welke mening was hen onwelgevallig? Dat forel met botersaus lekker is?

Kortom, het ging hier helemaal niet over een mening die in het programma zou zijn verkondigd. En dus was de eerst helft van Desmets betoog, waarin hij de gemeenzame opvattingen over meningsvrijheid samenvatte, naast de kwestie.

Maar wat vinden VDK en VDT dan zo schokkend aan dit programma, vroeg de journalist zich halverwege zijn stuk af, “dat ze bereid zijn voor een keertje de fundamenten van de democratische samenleving onderuit te halen”? En hij gaf zelf het antwoord: “Dat blijkt dus niet een hernieuwde oproep tot de Endlösung te zijn, maar wel een recept voor forel in botersaus.”

Tja... Gênante sofistiek is dit. De ideeën van je opponent vereenvoudigen, verminken en belachelijk maken in plaats van ze te weerleggen: het is de meest versleten retorische truc van allemaal. Want uiteraard wilden VDK en VDT “de fundamenten van de democratische samenleving” niet onderuithalen, en uiteraard was het niet het recept dat hen heeft geschokt. Dat weet zo’n commentator natuurlijk ook. Wat is dan de waarde, en wat kan de bedoeling zijn van dit soort kritiek, die grotendeels gebaseerd blijkt te zijn op overdrijving, vereenvoudiging, ridiculisering en irrelevante uitweidingen over censuur en meningsvrijheid?

Interessanter was de discussie in het tweede deel van Desmets artikel, over de vraag of het omstreden televisieprogramma riskeerde de Führer te banaliseren. Misschien zouden de makers onwillekeurig Hitler sympathiek(er) maken in de ogen van de ideologisch wankelmoedigen onder ons. (Mama kijk! Hitler at ook forel!)


Reactie Desmet: “Waarom zou er aan de banale aspecten van het leven van Hitler geen aandacht mogen worden besteed?” Terechte opmerking. Volgende zin: “Alle gereputeerde Hitlerbiografen, Ian Kershaw op kop, hebben daar aandacht aan besteed.” Klopt, al is een biografie net iets anders dan een kookprogramma. Dan: “Zullen we dan meteen ook zijn boeken op de brandstapel gooien?” Oeps.

Is het mogelijk dat wie zo’n zin schrijft, niét beseft dat hij wel erg kort door de bocht gaat? Een beetje brein weet toch dat wat VDK en VDT bepleitten niets maar dan ook werkelijk niets met boekverbrandingen te maken heeft? Waarom dan weer zo doorschieten, zo overdrijven dat je de kern van het debat niet eens meer raakt? Het gevaar van deze stijl, deze toon, is dat al je eventueel terechte bezwaren dreigen te verwaaien in retorische galm en hoon.

Ten gronde: natuurlijk is de heisa rondom dit programma een uiting van ‘ons’ verlangen om Hitler, als de verpersoonlijking van het Kwaad, buiten te houden. Hij is de meest gedemoniseerde figuur uit de westerse geschiedenis, en belichaamt alles wat ‘wij’ niet willen zijn. Hitler is het absolute donker. Elk portret, elke analyse die hem iets menselijks verleent, ontreddert ons, omdat ze continuïteit en gelijkenis suggereert daar waar wij alleen een radicale breuk wensen te zien. Vandaar dat ook geschiedschrijvers en biografen die Hitler in een heel andere context hebben ‘vermenselijkt’ dan Plat Préféré dat doet, daarvoor flink op hun donder hebben gekregen. Maar, zoals Desmet terecht opmerkt: “Het besef dat de grootste gruwel kan voortkomen uit iemand die ook graag forel met botersaus at, draagt bij tot het begrijpen van de geschiedenis, leert ons dan niets ooit verworven is, dat we waakzaam moeten blijven.”

Zeker, zeker, zeker. Alleen: in Plat Préféré ontbreekt die context volkomen. Het gaat niet over dat onthutsende verband tussen het zogenaamd absolute Kwaad en de forel etende sterveling. Het is gewoon een kookprogramma over beroemde mensen, een format dat wellicht niet de ambitie heeft om ons aan te sporen tot het begrijpen van de geschiedenis, en evenmin tot waakzaamheid jegens de potentiële nazibeul in iedere foreleter.

Plat Préféré focust op de culinaire voorliefdes van beroemde mensen los van datgene wat hen beroemd heeft gemaakt. Het gaat niet - begrijp ik- over het verband tussen Brels keuken en Brels chansons, niet over de wisselwerking tussen Dalí’s schilderijen en zijn kookgedrag. De geselecteerde figuren hebben slechts twee dingen met elkaar gemeen: ze zijn beroemd en ze aten of kookten graag. Ze bestaan samen in de abstracte ruimte van “de roem”, en dat maakt hen in zekere zin onderling verwisselbaar. Zo bekeken was het inderdaad niet verstandig om Hitler in die reeks op te nemen, terwijl een programma over Hitlers culinaire liefdes op zich best te verdedigen is. Men leze goed wat Waumans precies zei: “Het was een foute inschatting om deze documentaire in een reeks te plaatsen waarin alle andere protagonisten beroemdheden zijn in de positieve zin van het woord.” Met andere woorden, het format wiste achtergrond en oorzaken waarop de roem en de betekenis van de geselecteerden berusten. Cru gezegd: het maakt in zo’n format niet uit of je nu beroemd bent geworden met Ne me quitte pas of met Zyklon-B. Dankzij die neutralisering kon Hitler in het rijtje worden opgenomen, maar diezelfde neutralisering is natuurlijk ook precies wat de critici van dit programma aanstootgevend vinden. Dat lijkt me een zeer verdedigbaar standpunt, dat niets van doen heeft met boekverbrandingen en extreem-rechts. Het is trouwens best denkbaar, en misschien ook wenselijk dat de VRT de aflevering over Hitler op een dag in een andere context wel zou uitzenden.

Tot slot, nog een andere, nauwelijks minder verontrustende vaststelling: het schrappen van de Hitleraflevering was blijkbaar niet het gevolg van een wat late maar respectabele afweging onder journalisten en programmamakers, maar wel van directe politieke inmenging. “De directietop van de VRT stond onder zware politieke druk van haar raad van bestuur,” schreef De Morgen vandaag. “Voorzitter Guy Peeters liet gisterochtend per mail aan gedelegeerd bestuurder Dirk Wauters in niet mis te verstane taal weten dat hij ‘zijn verantwoordelijkheid moest nemen’ -mail die kennelijk op de redactie van De Morgen is beland, fa- omdat de uitzending niet paste op Canvas. (...) Ook in de Vlaamse regering dacht men er naar verluidt zo over.” De journalistieke top van de VRT is dus overruled door de politiek. Het ging hier niet zozeer om het beknotten van meningsvrijheid als wel om een flagrante schending van de persvrijheid. Me dunkt dat wie bekommerd is om de fundamenten van de democratische samenleving zijn pijlen beter daar op had gericht.

15 september 2008

Palin steunt NAVO-kandidatuur Bart De Wever



(van de persagentschappen)

Gisterochtend, nauwelijks vierentwintig uur na de uitvaart van John McCain, heeft president Palin tijdens een korte ontmoeting met de internationale pers in de Rose Garden van het Witte Huis bevestigd dat de VS de kandidatuur van Bart de Wever voor de baan van secretaris-generaal van de NAVO ten volle steunen.

“Ik heb meneer De Wever nog nooit ontmoet,” liet Palin zich tegenover een ABC-reporter ontvallen, “maar ik ben voldoende over hem geïnformeerd om te weten dat hij een zeer ervaren en intelligent man is. Hij wordt zeer gewaardeerd in Alaska. Zijn conservatieve standpunten bieden de Verenigde Staten voldoende garantie dat de NAVO onder zijn leiding de oorlog in Georgië met een klinkende overwinning (one smashing victory) zullen besluiten.”

Gevraagd of de VS gezien het grote belang van het militaire conflict met Rusland niet liever een Amerikaan aan het hoofd van de NAVO zouden zien, antwoordde Palin: “Ik zie momenteel geen betere kandidaat voor het voorzitterschap van de NAVO dan Wart The Beaver.” Haar pijnlijke verhaspeling van De Wevers naam veroorzaakte onder de aanwezige journalisten niet de minste hilariteit.

In een eerste reactie liet Vlaams minister-president Jean-Marie Dedecker weten het “bijzonder tof te vinden dat mevrouw Palin een Vlaming aan het hoofd van de NAVO zou willen benoemen. Dit is het beste bewijs,” aldus Dedecker, “dat het onafhankelijke Vlaanderen tien keer meer prestige in de wereld geniet dan het voormalige Belgique à papa.”

In regeringskringen wordt vernomen dat de steun van de VS voor De Wevers kandidatuur in niet geringe mate te danken zou zijn aan discreet politiek overleg tussen het Witte Huis en Vlaams VN-ambassadeur Jurgen Verstrepen. “In Washington hadden ze nog nooit van De Wever gehoord,” aldus een anonieme bron, “maar Verstrepen heeft tijdens de receptie na de Inauguratie van Palin de Vlaamse kandidaat bij een aantal kersverse Amerikaanse kabinetsleden met zeer veel vuur verdedigd.” Naar verluidt was met name de Amerikaanse ambassadeur in Vlaanderen Donald Rumsfeldt onder de indruk van Verstrepens pleidooi, en Rumsfeldt is in de betrekkelijk onervaren ploeg van de nieuwe president een zwaargewicht.

Voor een kritisch geluid zorgde Kamervoorzitter Filip De Man. “Nu weten we wat Bart De Wever bedoelde met een vette vis. Een postje voor zichzelf.” Een heel ander geluid was te horen op het Rectoraat van de Vlaamse Gravensteenuniversiteit, waar De Wever sinds enige jaren de leerstoel Cyriel Verschaeve bekleedt. “De baan van Secretaris-Generaal van de NAVO zou een geweldige beloning betekenen voor een uitmuntende Vlaming,” liet Rector Geert Bourgeois weten in een kort persbericht. “Hoewel het vertrek van Bart De Wever een aderlating voor onze Faculteit zou zijn, steunen wij de Amerikaanse steun volledig volmondig,” aldus nog de Rector.

Bart De Wever was gisteren voor commentaar onbereikbaar. Volgens partijwoordvoerdster Frieda Brepoels is de toekomstige NAVO-baas eergisteren samen met zijn nieuwe echtgenote Rita Verdonk op huwelijksreis vertrokken naar Diksmuide.

07 september 2008

Hoe Shakespeare ons op de zenuwen werkt

Shakespeares taal wordt al eeuwen door literatoren en filologen geprezen en bestudeerd. Met behulp van technieken uit de neurolinguïstiek hebben wetenschappers nu aangetoond dat Shakespeares taalgebruik ook ons zenuwstelsel niet onberoerd laat.


Words, words, words: Shakespeare gebruikte er in zijn oeuvre ongeveer 17 000, het viervoud van de gemiddelde, geschoolde taalgebruiker. En hij had niet eens een woordenboek. Het eerste Engelse woordenboek, A Table Alphabeticall, samengesteld door Robert Cawdrey (een schoolmeester uiteraard), verscheen in 1604. Shakespeare was toen al bijna klaar met zijn oeuvre: in 1611 ging hij met pensioen en keerde uit Londen terug naar Stratford waar hij in 1616 overleed.

Ander sterk cijfer: Shakespeare gebruikt bijna de helft van al die woorden, een zevenduizendtal, maar één keer in zijn hele oeuvre. Dat heeft iets guls, iets bijna kwistigs. Van die 17000 woorden heeft hij er een 3000 zelf bedacht, of afgeleid van bestaande woorden. In de Oxford English Dictionary is Shakespeare de grootste leverancier van neologismen. Overigens is die taalrijkdom vaak een nachtmerrie voor lexicografen gebleken. Van menig door Shakespeare bedacht woord heeft men de betekenis immers nimmer kunnen achterhalen. (Zie bijvoorbeeld de discussie over “runaway’s eyes” in Romeo and Juliet in een vorige tekst op deze blog.) Andere woorden hebben in de afgelopen eeuwen betekenissen of associaties verloren, of andere betekenissen verworven. Zo betekende “spirit” in Shakespeares tijd onder meer “penis”, en een van de connotaties van “circle” was “vagina”. Dat moet je wel weten als je Mercutio in Romeo and Juliet hoort zeggen: “’Twould anger him / To raise a spirit in his mistress’ circle” (II.1. 23-4). In de openingsscène van Hamlet noemt wachter Bernardo zijn collega’s “rivals” - dat betekent nu alleen nog het tegenovergestelde van wat Bernardo daar bedoelde, namelijk “companions” of “colleagues”. (Het zou geen enkele zin hebben om “rivals” hier met “rivalen” te vertalen.) Die betekenisverschuivingen zijn meestal wel te traceren, ze verschaffen filologen al eeuwen werk.

De waardering voor Shakespeares werk is in niet geringe mate waardering voor deze taalrijkdom, de meerzinnigheid, de creativiteit, de poëzie, de woordspelingen - bibliotheken vol zijn erover geschreven. Maar de laatste tijd hebben wetenschappers die taalrijkdom ook aan de hand van technieken uit de neurolinguïstiek bestudeerd. Dat levert fascinerende experimenten en inzichten op.

Een van Shakespeares stijlkenmerken is wat linguïsten noemen functional shift, of ook wel word class conversion: het proces waarbij een woord of een zinsdeel van functie verandert in een zin, maar wel min of meer dezelfde vorm behoudt. Shakespeare doet dat inderdaad voortdurend. Hij gebruikt een voornaamwoord als een substantief (“the cruellest she alive”), een adjectief als een werkwoord (“to thick my blood”) en vaak ook een substantief als werkwoord (“He childed as I fathered”).

‘Functional shift’ werd tot voor kort beschouwd als een gevolg, een symptoom van hersenbeschadiging. Het werd alleen in dat perspectief bestudeerd. Maar recent heeft bij wetenschappers het idee postgevat dat ‘functional shift’ zich ook kan voordoen bij taalgebruikers zonder hersenschade. ‘Functional shift’ kun je ook beschouwen als een vorm van taalcreativiteit. Het geeft je een idee van de buigzaamheid van een taal en van de vrijheid waarover een (creatieve) taalgebruiker daardoor beschikt, en het geeft ook een idee van de economie van een taal: het vermogen om bepaalde betekenissen zeer compact weer te geven, bijvoorbeeld.

Om deze effecten van ‘functional shift’ in Shakespeares werk te onderzoeken, bedachten twee onderzoekers aan de universiteit van Liverpool, Philip Davis en Victorina Gonzalez-Diaz, volgend experiment.

Proefpersonen krijgen een veertigtal zinnen te lezen, telkens in vier varianten:

(A) De zin in zijn ‘normale’, grammaticaal en semantisch correcte vorm.
(B) Diezelfde zin met de ‘functional shift’ in Shakespeares versie ervan.
(C) Een variant van die zin met een syntactische ‘functional shift’ die in de context van de zin geen betekenis heeft.
(D) Een variant van diezelfde zin zonder grammaticale shift, maar ook zonder betekenis in de context van de zin.

Het voorbeeld van Davis (een regel uit Coriolanus):
(A) This old man loved me above the measure of a father, nay, deified me indeed.

(B) This old man loved me above the measure of a father, nay, godded me indeed. (= Shakespeares versie, met functional shift: een substantief wordt als werkwoord gebruikt.)

(C) This old man loved me above the measure of a father, nay, charcoaled me indeed.

(D) This old man loved me above the measure of a father, nay, poured me indeed.

De proefpersonen werd gevraagd om op een knopje te duwen als de zin die ze te horen kregen hen min of meer betekenisvol leek.

Ondertussen werd hun hersenactiviteit geregistreerd op drie manieren: eerst via een EEG (electro-encefalogram), daarna met een MEG (magneto-encefalogram) en tenslotte met een fMRI (functionele Magnetische Resonantie Beeldvorming).

Telkens wanneer de hersenen een semantische afwijking opmerken, registreert een EEG een zogeheten N400-effect, dat is een negatieve golfmodulatie die zich voordoet 400 milliseconden nadat de hersens de semantische afwijking hebben opgemerkt. De amplitude van de golfmodulatie is klein wanneer de semantische storing klein is, dat wil zeggen, wanneer de hersens weinig moeite hebben om de zin ‘normaal’ te maken. Bijvoorbeeld, als je hersens te horen krijgen: “The pizza was too hot to”, dan weten ze vrijwel onmiddellijk dat ze slechts “eat” hoeven toe te voegen om de zin semantisch in orde te brengen. Maar als er staat: “The pizza was too hot to sing”, dan weten de hersens niet zo meteen wat ze moeten doen, en dan zal de modulatie van de golf groter zijn.

Wanneer de hersens een syntactische stoornis opmerken, registreert een EEG een P600-effect, dat is een positieve golfmodulatie die optreedt 600 milliseconden nadat de hersens de stoornis hebben opgemerkt. Semantische afwijkingen leiden dus tot negatieve golfmodulaties, en syntactische afwijkingen tot positieve. En in beide gevallen geldt: hoe groter de verstoring van wat de hersens als een normale zin beschouwen, hoe groter de modulatie.

Toen de proefpersonen de zin “This old man...” en de drie varianten te horen kregen, deed zich het volgende voor.

Bij het horen van A (“deified”): geen N400- en geen P600-effecten, want een semantisch en syntactisch normale zin.

Bij het horen van B (“godded”): sterk P600-effect, geen N400-effect. De hersens merkten dus wel een grammaticale hindernis op, maar vonden ‘godded’ semantisch geen probleem.

Bij C (“charcoaled”): sterk P600-effect en ook sterk N400-effect. Zowel grammaticaal als semantisch ervoeren de hersens deze versie als problematisch. “Charcoaled” is immers onzin in deze context, terwijl ze uit “godded” meteen wel een zinvolle betekenis konden afleiden.

Bij D (“poured”): geen P600-effect (want syntactisch in orde) maar sterk N400-effect (want semantisch onzin).

Hieruit blijkt, aldus de onderzoekers, dat ‘functional shift’ wel degelijk een zogeheten robust phenomenon is: “it has a distinct and unique effect on the brain.” En dus: “Instinctively Shakespeare was right to use it as one of his dramatic mental tools.” (“Instinctively” verraadt het speculatieve karakter van deze hypothese.)

Het sterke P600-effect en het uitblijven van een N400-effect in Shakespeares versie van de zin, duidt er volgens de Liverpudlians op dat ‘functional shifts’ in Shakespeare semantisch weinig problemen opleveren voor onze hersenen, maar wel een “syntactic re-evaluation process” activeren, en ons dus tot meer aandacht, meer bewustzijn nopen. Simpeler gezegd, onze hersens gaan ervan uit dat de Shakespeariaanse 'functional shift' de zin niet betekenisloos maakt, maar dat we een en ander moeten herschikken, vervangen, om die betekenis te achterhalen. Zo bracht Shakespeare in zijn stukken dramatische spanning teweeg “by implicitly taking advantage of the relative independence - at the neural level - of semantics and syntax in sentence comprehension.”

Experimenten als dit tonen aan dat we met Hamlet en Othello meeleven niet alleen op plotniveau, maar dat Shakespeares taalgebruik ook onze zenuwen beroert. Het bezorgt ons, besluit Davis, “neural excitement never fully exorcised by later conceptualisation.”

Shakespeare lezen is niet alleen literair, historisch, filosofisch interessant, het blijkt nog goed voor je hersens te zijn ook.

(Bron: Philip Davis, “The Shakespeared Brain”, Literary Review, september 2008.)

01 september 2008

Bracht Obama stiekem hulde aan Jimmy Carter?

In de mediashow rond Barack Obama blijft Jimmy Carter geheel uit beeld. De ex-president is in zijn eigen partij uit de gratie gevallen. Niettemin bevatte Obama’s aanvaardingsspeech in Denver frappante echo’s uit de aanvaardingsspeech van Carter in 1976. Een stiekeme hulde?


Vorige week maandag, op de eerste dag van de Democratische Conventie in Denver, kreeg voormalig president (1977-1981) Jimmy Carter welgeteld zeven minuten aandacht van zijn partijgenoten. Er werd een filmpje getoond over zijn werk voor de slachtoffers van Hurricane Katrina in New Orleans, waarna hij samen met zijn vrouw Rose één minuut het podium op mocht om zwaaiend en lachend het applaus in ontvangst te nemen. Exit Carter. Geen speech, geen bloemen, niks.

Het is niet gering om op zo’n gewichtig moment een van de twee Nobelprijswinnaars voor de Vrede die de Democratische partij in haar rangen heeft (Al Gore kreeg hem ook, maar voor veel minder), zo zichtbaar de mond te snoeren. De vergelijking is overdreven, maar ik moest toch even terugdenken aan de goeie ouwe sovjetpraktijken, toen ministers en andere politieke leiders de ene keer wel op het bordes of op een foto verschenen, en dan weer niet...

De reden waarom de Democraten Carter naar de coulissen hebben verbannen, is heel simpel. Carter is een luis in de pels van zijn eigen partij. Hij kritiseert niet alleen het beleid van de Republikeinen, hij verkondigt ook meningen en stelt ook daden die zijn eigen partijgenoten hem niet in dank afnemen. Zo kreeg hij bakken kritiek over zich heen toen hij eerder dit jaar in Damascus over vrede in het Midden-Oosten ging praten met Khaled Mehsaal, de leider van de Palestijnse beweging Hamas. Carter is namelijk van mening dat je, als je een conflict wil oplossen, met álle partijen in het conflict moet praten, en niet alleen met die partijen die je het sympathiekst zijn. Zoveel simpele logica is in de internationale politiek zelden zegevierend. Toen Carter zich in zijn voorlaatste boek Palestine. Peace not Apartheid kritisch uitliet over het beleid van Israël, namen sommige zionistische gekken al het woord ‘antisemitisme’ in de mond. Howard Dean, voorzitter van de Democratische Partij, heeft zich openlijk gedistantieerd van de demarches van Carter in het Midden-Oosten. Carter mocht in Denver geen enkele rol van betekenis spelen, onder meer om de voor de Democraten electoraal erg belangrijke joodse gemeenschap niet te irriteren. Hij is een lastpak, en in de feel good show die zo’n conventie is, zijn lastpakken ongewenst, Nobelprijs of niet.

Jimmy Carter heeft zich in de nadagen van zijn ongelukkige presidentschap ontwikkeld niet alleen tot een internationaal gerespecteerd vredesactivist, voor het establishment van zijn eigen partij is hij een soort Socrates geworden, iemand die zonder enig eigenbelang dringende en vervelende vragen stelt. De gifbeker blijft hem wellicht bespaard, maar hij is wel degelijk een maverick in eigen rangen. Zoals de machthebbers van Athene Socrates uitspuwden, zo banden de Democraten Carter uit de partij, en legden zij hem in Denver het zwijgen op.

Het eerste signaal dat Obama zijn geëxcommuniceerde voorganger misschien wel in ere wilde herstellen, kwam er toen hij Zbigniew Brzezinski in zijn kring van adviseurs opnam. Brzezinski was Carters veiligheidsadviseur, een havik, onder meer verantwoordelijk voor de wanhoopspoging van het Amerikaanse leger in 1980 om de Amerikaanse gijzelaars in Iran met geweld te bevrijden, een catastrofale mislukking die mede het einde van Carters presidentschap heeft bezegeld. (Bij de presidentsverkiezingen in november 1980 blies Ronald Reagan hem het Witte Huis uit.) Brzezinski oogt vreemd in dat Obamakamp, minstens zo vreemd als Sarah Palin in het kamp van McCain.

Maar nu was er dus die speech van Obama in Denver, een speech die al bij voorbaat historisch was, want nog nooit eerder heeft een zwarte - enzovoort. Mij viel de speech eerlijk gezegd een beetje tegen. De retoriek verrast niet meer. We weten dat Obama kan speechen als geen ander - hij spreekt waarlijk beter dan Martin Luther King Jr. Maar de speech in Denver bevatte geen nieuwe, onweerstaanbare soundbites zoals Obama die eerder tijdens de voorverkiezingen wel bracht, genre “We are the ones...we’ve been waiting for.”

Het besluit om ook praktische beleidsvoorstellen en concrete beloften in zijn speech op te nemen, was misschien tactisch noodzakelijk, het maakte de speech niet beter, zelfs niet geloofwaardiger. Integendeel. Belastingverlaging voor 95% van de gezinnen, Amerika in tien jaar tijd onafhankelijk maken van Arabische olie...het waren beloften op de rand van het belachelijke. Hou me niet zo voor de gek, dacht ik, je weet zelf heel goed dat dit onmogelijk is. Ook de poging om zichzelf als een average guy te portretteren door beknopte familieportretjes te schetsen van flinke mama en hard werkende oma - het was allemaal vreselijk stereotiep en zo doorzichtig als wat. Maar misschien werkt het, politiek succes is niet noodzakelijk gebouwd op diepzinnigheid.

De speech verraste alleen door de toon, de heftigheid, de concrete aanvallen op McCain, ook al ontspoorden die uithalen soms in wel erg simplistische flauwiteiten, bijvoorbeeld over McCain die Osama bin Laden zomaar zou laten lopen: “John McCain likes to say that he’ll follow bin Laden to the Gates of Hell - but he won’t even go to the cave where he lives.” Tja.

Nee, het interessantste, en tot nu toe ook geheel onopgemerkte kenmerk van Obama’s redevoering waren de slinkse verwijzingen naar Carters aanvaardingsspeech.

Madison Square Garden, New York, 15 juli 1976. Carter, een pindaboer uit Georgia die als volslagen outsider de voorverkiezingen had gewonnen, begint zijn toespraak met een geweldige zin: “My name is Jimmy Carter, and I’m running for president.” Die zin was een allusie op een beroemde anekdote over John F. Kennedy, die tijdens de voorverkiezingen in 1960 een bar ergens in het winterse Wisconsin - Kennedy was buiten Massachusetts en Washington DC ook een volslagen onbekende nog - binnenstapte en de lokale tooghangers begroette met de woorden: “I’m John Kennedy and I’m running for President.” Waarop een van de stamgasten hem verbaasd aankeek en antwoordde: “President of what?”

Carters speech in 1976 stond helemaal in het teken van twee trauma’s die de relatie tussen de Amerikaanse bevolking en het politieke establishment hadden verziekt: het Watergateschandaal en de nog maar pas beëindigde oorlog in Vietnam. Hij gaf dat crisisgevoel tamelijk pregnant weer: “We have been a nation adrift too long. We have been without leadership too long. We have had divided and deadlocked government too long. (...) Our country has lived through a time of torment. It is now time for healing.” Tweeëndertig jaar later ziet ook Obama Amerika in een crisis verkeren: “We meet at one of those defining moments - a moment when our nation is at war, our economy is in turmoil, and the American promise has been threatened once more.”

In 1976 had het land behoefte aan een schone lei, onbesproken leiders, een nieuw begin. “There is a new mood in America,” zei Carter. “Our people are searching for new voices and new ideas and new leaders.” Obama speelde in op een vergelijkbare behoefte aan verandering en vernieuwing in nagenoeg dezelfde bewoordingen: “All across America something is stirring. (...) The American people (...) insist on new ideas and new leadership, a new politics for a new time.”

Over de verantwoordelijkheid en de ook wel beperkte macht van de politiek om zulke veranderingen te bewerkstelligen, zei Carter: “Although governments has its limits and cannot solve all our problems, we Americans reject the view that we must be reconciled to failures and mediocrity, or to an inferior quality of life.” Obama citeerde hem letterlijk: “Government cannot solve all our problems, but what it should do is that which we cannot do for ourselves (...).”

Een ander thema dat in beide redevoeringen aan bod kwam, is de kloof tussen politiek en bevolking. Beide kandidaten presenteerden zich nadrukkelijk als outsiders - ook Reagan deed dat overigens - die hun kandidatuur voor het presidentschap niét aan het politieke establishment in Washington te danken hebben. Carters maakte dat meteen duidelijk in zijn openingszin, Obama zei: “I realize that I am not the likeliest candidate for this office. I haven’t spent my career in the halls of Washington.” In zekere zin bedreven beide politici in hun aanvaardingsspeech anti-politiek: ze stelden de politieke kaste voor als een bende die grossiert in blunders en vergissingen, die elitair en wereldvreemd is, in de greep van lobbygroepen en het grote geld, en doof voor wat the people verlangt en verdient. Carter sprak over de politiek in het algemeen, Obama viseerde uiteraard McCain en Bush. Maar in beide speeches wordt een keiharde oppositie gesuggereerd tussen de bevokking en haar vervreemde leiders. En beide politici uitten de belofte dat zij deze kloof zouden dichten, en de regering, de politiek, weer in naam van de bevolking zouden doen spreken. Carter: “We have been hurt, we have been disillusioned. We have seen a wall go up that separates us from our own government.” Obama: “Our government should work for us, not against us. It should help us, not hurt us. ”

Carter stelde de cesuur tussen de people en de politiek wel heel scherp: “Each time our nation has made a serious mistake the American people have been excluded from the process. The tragedy of Vietnam and Cambodia, the disgrace of Watergate, and the embarrassment of the CIA revelations could heve been avoided if our government had simply reflected the sound judgement and good common sense and the high moral character of the American people.” Zo ver dreef Obama het niet.

Maar beiden drukten aan het einde van hun aanvaardingsspeech wel het geloof en het vertrouwen uit dat de verandering die zij voorstonden, onomkeerbaar was. Carter: “I see an America on the move again, united, a diverse and vital and tolerant nation...” Obama: “I believe that as hard as it will be, the change we need is coming. Because I’ve seen it. Because I’ve lived it.”

Alle Amerikaanse speeches in dit genre vertonen zekere gelijkenissen met elkaar, maar de echo’s van Carters speech in Obama’s rede zijn meer dan toevallige gelijkenissen. Terwijl alle commentatoren hem voortdurend in verband brengen met Kennedy en Clinton, heeft Obama wellicht stiekem ook hulde wilde brengen aan die ene voorganger over wie het in de partij zo lastig praten is. Die hulde is terecht, want Carter is misschien wel de meest onderschatte president uit de recente Amerikaanse geschiedenis. Je moet alleen hopen dat het Obama, als hij verkozen wordt, beter zal vergaan.

24 augustus 2008

Romeo en Julia: vertaalnotities (2)


In Shakespeares teksten zitten zwarte gaten: woorden, zinnen of uitdrukkingen die zo duister zijn dat nog niemand hun betekenis op overtuigende wijze heeft kunnen achterhalen. Als je bij een woord of een passage “famous crux” ziet staan, weet je dat je weer in zo’n gat bent aanbeland. Ook in Romeo and Juliet doen zich zulke zwarte gaten voor.

In een lange monoloog, meteen nadat de vorst van Verona Romeo heeft verbannen wegens zijn moord op Tybalt, verzucht de smachtende Julia:

Spread thy close curtain, love-performing night,
That runaway’s eyes may wink, and Romeo
Leap to these arms untalk’d-of and unseen.


De strekking is duidelijk: Julia wil met Romeo naar bed in den duik. Maar wat bedoelt ze precies met “runaway’s eyes”? Een berucht zwart gat. Wat zijn de hypothesen?

Volgens de editeurs van de Folgeruitgave uit 1992 is er geen probleem: “that runaway’s eyes may wink” zou betekenen: “those horses eyes may close.” De paarden waar het hier over gaat zouden dan de paarden van de zonnewagen zijn. Julia heeft een paar regels eerder gesproken over “Phoebus’ woning”, het huis van de zonnegod, en over Phaëton, de menner van de zonnewagen:
Gallop apace, you fiery-footed steeds,
Towards Phoebus’ lodging. Such a waggoner
As Phaeton would wip you to the west
And bring in cloudy night immediately.
Met andere woorden: hoe sneller de paarden de zonnewagen westwaarts door de hemel trekken, hoe vlugger het donker wordt, en de minnaars zich in het duister met elkaar kunnen vermengen. De paarden kunnen dan hun ogen sluiten (“wink” = sluiten).

Maar “runaway” betekent niet alleen en zelfs niet in de eerste plaats “paard”. Een “runaway” is letterlijk een wegloper, een vagebond, een ontsnapte. De door Peter Holland bezorgde Penguinuitgave twijfelt dan ook aan de hippologische interpretatie: “eyes of the sun’s horses (?).” De Nortoneditie waarvan Stephen Greenblatt de general editor is, zet de twee mogelijkheden naast elkaar: “either the runaway horses of the sun or roving and curious vagabonds.” Klein probleem met de paardenhypothese: er staat “runaway’s”, niet “runaways’”. Spellingsregels waren in Shakespeares tijd minder rigide dan later, maar als je de crux op grond van hedendaagse regels bekijkt, dan zou het hier over maar één paard gaan, wat wellicht niet de bedoeling was, aangezien Julia het in de eerste regels over “steeds” (mv) had. Een andere mogelijkheid is dat “runaway” een verschrijving is. Volgens Dover Wilson stond er waarschijnlijk iets als “cunningest”: “cunningest eyes” zouden dan de ogen van de nieuwsgierigen zijn, de praatjesmakers, de roddelaars. Zodra zij hun ogen hebben gesloten, lijkt Julia nu te zeggen, zal niemand over Romeo kletsen (“untalk’d-of”) en kan hij mij ongezien (unseen) in de armen vliegen. Ook mogelijk.

Volgens de allerbeste teksteditie van Shakespeares werk, de Ardenreeks, blijft het probleem bestaan. “Runaway’s” zou volgens hier geciteerde bronnen ook naar de zon zelf kunnen verwijzen: “the sun which has at last turned and run before the irresistible onset of night.” Anderen denken dat Shakespeare met “runaway” de nacht bedoelde, en met “eyes” de sterren (de ogen van de nacht). Nog anderen denken dat “runaway” op de pas verbannen Romeo slaat. De Riverside, zowat de belangrijkste Amerikaanse editie van Shakespeares werk, is helemaal nergens zeker van: “runaway’s: unexplained; perhaps corrupt. Night must blind some thing or person that would comment harshly on their love.” Je hoort de voetnoot zuchten.

Hoewel ook de Ardeneditie de paardenhypothese het aannemelijkst lijkt te vinden, blijft de verwarring groot. Wat moet je als vertaler doen, als zelfs de Engelstalige commentatoren zo onzeker zijn? Ik zet de belangrijkste vertalingen op een rijtje:

Burgersdijk:
Breid uit uw floers, gij nacht, die liefde kroont,
Luik ieder zwervend oog, dat Romeo
Onzichtbaar, heimlijk, in deze armen snell’!


Courteaux:
O, spreid uw voorhang, liefdehoeder nacht,
Zodat elk heimlijk glurend oog zich sluit
En Romeo onbespied me in de armen vliegt.


Komrij:
Omfloers me, liefde-vergezellend duister,
Maak alle spieders blind - laat Romeo
Onopgemerkt in deze armen snellen.


Claus:
Trek de gordijnen dicht, nacht, die liefde
brengt,
en maak de loerders blind zodat Romeo
in deze armen springt, onbespied.


Opmerkelijk: geen van mijn illustere voorgangers heeft de associatie van “runaway” met de paarden van de zonnewagen in zijn vertaling opgenomen. Alle vier vonden ze deze hypothese blijkbaar de minst geloofwaardige, of de minst vertaalbare. In het geval van Claus is dit begrijpelijk, hij heeft immers de eerste vier regels, waarin Julia het over die zonnewagen heeft, gecoupeerd - wat ik uit dramatisch oogpunt bekeken een goede ingreep vind. Verder is het duidelijk dat elke vertaler met deze passage heeft geworsteld. Er gaat telkens veel verloren, er worden baarlijke trucs uitgehaald (Burgersdijks snell’), rare woorden bedacht (Courteaux’ liefdehoeder nacht, Komrij’s liefde-vergezellend), ritmes verrafelen. Ik zeg dit niet om hun werk te kritiseren, maar om aan te geven wat voor een hondse, hachelijke stiel vertalen wel kan zijn. Hoe ik het zelf ga doen? Ik kijk uit naar uw suggesties. (Wordt vervolgd.)

08 augustus 2008

Ode aan Watou

Zomervakantie en dus naar Watou geweest. Voor de achtentwintigste keer al organiseren Gwy Mandelinck en zijn vrouw Agnes Hondekyn daar in hun grensdorp wat je zou kunnen omschrijven als creatieve tussenkomsten in het landschap en in een paar bij voorkeur aftandse panden; confrontaties tussen woord en beeld, echo’s, verbanden, verrassingen. De gebeurtenis ‘Watou’ heeft in die jaren veel internationale aandacht en waardering verworven, met name in Nederland, de samenscholing van geelzwarte nummerborden op het krappe marktpleintje wordt met het jaar groter. Ook de gieren van de horeca zijn in deze kunstminnende nederzetting neergestreken: ik zag meer bedden & breakfasts dan vorige jaren. De kunstliefhebbers worden dit jaar in Watou zelfs opgewacht door een huifkar met tweespan, een attractie waarvan ik pas na enige tijd begreep dat ze niet was bedacht door een van de genodigde kunstenaars, maar door biermensen.

Het motto van Watou is dit jaar een versregel van Gerrit Kouwenaar: “Dat de verte nabijer dan ooit was.” Hoe die regel zich verhoudt tot de tentoongestelde werken van dichters en beeldende kunstenaars, is me tijdens de wandeling niet helemaal duidelijk geworden. Me dunkt dat er tussen Kouwenaars vers en de tentoongestelde kunst in ieder geval meerdere verbanden bestaan, de ene kunstenaar lijkt de verte te omarmen, een andere schuwt haar. Het vers biedt hooguit een wat vage, thematische oriëntatie. Uit de tekst die Mandelinck ter inleiding voor de catalogus schreef en die ik pas na mijn bezoek las, werd ik ook niet veel wijzer. Maar dat is allemaal niet erg.

Watou heeft altijd iets van een speurtocht: tussen de wilgen en de maisvelden zoek je naar wat beeldende kunstenaars en dichters nu weer hebben aangericht. Naar vondsten, gekte, ontroering, humor ook. Naar manieren waarop beelden en teksten communiceren met hun omgeving. Sommige kunstwerken doen dat nadrukkelijk, zoals bijvoorbeeld de video’s van Annelies Strba (“Dawa) en Andrea Fraser (“A visit to the Sixtine Chapel”) en de installatie “Salvator Globe” van Koen Vanmechelen, die in de Sint-Bavokerk op het marktplein van Watou te zien zijn. De grappigste, ook wel poëtische visualisering van Kouwenaars vers vond ik “Dwelling” van de Japanse kunstenaar Hiraki Sawa, een videofilmpje in zwartwit waarin tientallen vliegtuigjes door de kamers van een appartement zweven. Het heeft iets dromerigs, maar het kan ook de nachtmerrie zijn van een luchtverkeersleider die na een drukke dag in de controletoren thuiskomt en voor zijn geestesoog alleen maar stijgende en dalende vliegtuigen ziet.

Alle geselecteerde gedichten zijn door architect-criticus Koen Van Synghel gereproduceerd op spiegelglas her en der in het landschap neergezet, waardoor de verte als vanzelf tussen de woorden dringt, en de woorden in het landschap lijken weg te vloeien. Andere werken lijken zich van hun omgeving helemaal niet bewust, en hadden net zo goed elders kunnen hangen of staan. Werken waar je soms zou willen tegen zeggen: wat doe jij hier in Watou? Want dat lijkt me toch noodzakelijk binnen de optiek van dit evenement: dat de kunst weet heeft van de plek waar ze zich bevindt.

En dwars door dat alles: Claus. In iedere stopplaats op het parcours is hij aanwezig, wacht zijn stem je op. Een beetje overvloedig misschien, maar de schrijver was hier jarenlang een trouwe gast, hij is hier in het verleden meermaals gefêteerd, op het marktplein staat al jaren zijn door Raveel in de lucht uitgesneden silhouet - de hommage is dus vanzelfsprekend. En het deed deugd om hem weer eens te zien en te horen lezen, dat Nederlands, die stem, die gedichten. Eén keer was het weerzien beklemmend: in een zolderkamer van het voormalige rusthuis van Watou, een locatie die dit jaar voor het eerst in het parcours is opgenomen, loopt een video waarop Claus “De sporen” leest, zijn meedogenloze incantatie over verval en afscheid en dood (“De sporen / van zijn zingende zaag / van bedelende kater / van het ineenzakkend plastic gebeente / van de zee eindelijk zonder geraas”). Er rusten in het rusthuis nu geen oudjes meer, de laatsten zijn een paar maanden geleden naar Poperinge overgebracht, maar hun weeë geur hangt er nog. De plek, de geur en de onvermijdelijke gedachte aan Claus’ euthanasie en de heisa eromheen, maakten het gedicht nog pregnanter dan het al was. Elders, op een andere video, zie je naast Claus’ spreekgestoelte Eddy Van Vliet zitten, ook een dichter die erg van Watou hield, ook dood, vijf jaar al, zijn asse is destijds verstrooid in de wei tegenover Mandelincks huis, zijn grafmonument, een raam in het landschap, staat er nog steeds.

Watou 2008 is geen ophefmakende editie maar bevat toch weer een aantal interessante confrontaties tussen woord en beeld, tussen kunst en context, reflectie en natuur. Het introduceert ook dit jaar weer vele duizenden mensen met nieuwe namen en werken, en bereikt alleen al daardoor in twee maanden meer dan vele galerieën in jaren.

Het is daarom des te bedroevender dat dit internationaal vermaarde gebeuren ook in zijn achtentwintigste jaar weer met ernstige financiële moeilijkheden kampte, en pas kon doorgaan dankzij een in extremis bedongen subsidie van minister Geert Bourgeois. Niet verwonderlijk dus dat de onvermoeibare Gwy en Agnes toch een beetje vermoeid klonken, dit jaar. De financiële last begint te wegen. Met name de transportkosten van kunst en kunstenaars zijn astronomisch toegenomen. Terwijl de vaak piepjonge kunstenaars die zij hier tentoonstellen in vele gevallen steeds sneller steeds grotere sommen verdienen in de geglobaliseerde kunstmarkt, blijft het voor de organisatoren wroeten en tellen. Misschien houden ze er volgend jaar wel mee op, bedacht ik tijdens de terugrit naar het binnenland, misschien beramen ze in stilte het afscheid van hun eigen schepping. Het zou wel mooi kunnen zijn: nog één keer een knaleditie, de weiden bezaaien met werken van alle kunstenaars die hier ooit aandacht kregen, veel pers, veel publiek - en dan de hele boel in de fik steken. Een gigantische kunstbrand, het ultieme vreugdevuur der ijdelheden, het hele dorp van de kaart geschroeid. Waarna alleen nog as en onkruid. En het raam van Van Vliet en het silhouet van Claus - als twee mysterieuze meteoren.

Maar voor het zover is: Vlaamse Gemeenschap, geef deze twee mensen een prijs. De Mandelincks hebben voor de kunst al lang veel meer gedaan dan menig kunstenaar die in de afgelopen kwarteeuw heeft mogen exposeren daar tussen de maiskolven. Dat verdient onbekrompen hulde, punt.

Poëziezomer Watou, nog tot 7 september. Info: www.poeziezomerswatou.be
E-mail: mandelinck@gmail.com

18 juli 2008

Land van honden en gebak

“Zijn wij nu al toeristen?” vraag ik aan mijn huisgenoten in de auto tien minuten na het vertrek, ter hoogte van Sint-Genesius-Rode, dit is het begin van een lange autoreis naar Portugal. Nee, nu nog niet, oordeelt de achterbank. Maar wanneer dan wel?
“Als je de grens oversteekt,” zegt zoon.
“Maar er zijn geen grenzen meer,” zegt dochter.
“Dan kun je ook nooit toerist in eigen land zijn,” zegt vrouw.

Onduidelijk dus waar de jaarlijkse metamorfose aanvat, maar ’s avonds in het zuiden van Frankrijk zijn we toch weer helemaal vertoerist, hebben we opnieuw de tijdelijke gedaante van principieel verwonderde passanten aangenomen, zijn we weer bereid ons inzake hygiëne, communicatie en oriëntatie ongemakken te laten welgevallen die we in de vertrouwde habitat onaanvaardbaar zouden vinden. Over ongemakken gesproken: het is fijn vast te stellen dat de zonderlinge gewoonte der Fransen om staande de darmen te legen ook in de provincie nagenoeg is uitgestorven. Zelfs in kleine afspanningen langs de snelweg heeft men inmiddels de voordelen van het hurkschijten ingezien, die EU dient niet voor niets.

Bilbao. Ik wilde dat reusachtige, beetje onhandig opengewerkte conservenblik van een Guggenheim wel eens zien. Het gebouw overtreft alles wat ik erover had gelezen, alle foto’s ervan die ik had gezien. Hedendaagse architectuur op zijn vermetelst, een baldadig gebouw dat, zoals bij hedendaagse musea wel vaker het geval is, in de eerste plaats zichzelf tentoonstelt. In Bilbao is dat niet erg. Van alle kunstenaars wier werk ik hier in deze luttele middaguren te zien krijg, is Frank Gehry de grootste – al is dat natuurlijk een veel te vage en luie omschrijving. (De grootste!) Maar ook “Maman”, de reuzespin van Louise Bourgeois die op de schitterende esplanade bij de ingang van het museum waakt, is een indrukwekkend kunstwerk. Wie het museum bezoekt moet beslist in de audiofoon luisteren naar wat de oude Bourgeois zelf over haar spin te vertellen heeft – ontroerende herinneringen aan haar eigen moeder.

Uit België de vertrouwde berichten: slecht weer, knoeiende politici.

“Daags voor de slag bij Aljubarrota (14 augustus 1385) beloofde koning D. João I de Heilige Maagd dat hij, als hij de overwinning zou behalen op de Castilianen, een klooster zou laten bouwen op de plaats van de veldslag. De Portugezen wonnen en D. João kwam zijn belofte na,” lees ik in het voortreffelijke boek Portugal van de Nederlands-Portugese schrijver J. Rentes de Carvalho (De Arbeiderspers, negende druk 1999). In 1388 werd begonnen met de bouw van het klooster van Batalha, een van die typische, reusachtige, uit kalksteen en godsvrucht opgetrokken gebouwen waarbij ik me altijd weer dezelfde simpele vraag stel: hoe hebben ze het ooit kunnen bouwen? Portugal zit goed in de kloosters, valt me op tijdens deze reis door een land waar ik zo goed als niets vanaf weet. Die onwetendheid wordt nog versterkt door de taal natuurlijk, voor wie haar niet doorgrondt klinkt Portugees als verkouden Spaans, met af en toe een gemene, vette, verrassend Antwerps klinkende klinker, meestal in combinatie met de letter l. Fonetiek voor honden.
Na Batalha volgt het nog indrukwekkender Balcobaça, nog later nemen we een dag om het Convento de Cristo in Tomar te bezoeken. Wat zég je tegen zulke gigakloosters? Mocht het niet wat minder? Wie moet dat hier poetsen? Onmacht, ongeloof, onbegrip. Maar indrukwekkend is het allemaal wel.

Portugal: het enige land dat ik ooit heb bezocht waar de weldadige producten van bakkers en patissiers met dezelfde quasi existentiële passie worden genoten als in België. Portugal: land waar iedereen met een beetje tuin op zijn minst twee honden heeft. Portugal: land van gebak en geblaf. De antropologisch verfijnde conclusies waar toeristisch veldwerk een mens toe noopt.

Het is 16 juli, in een krantenwinkel in Tomar vinden we zowaar De Morgen van dezelfde dag. Onder een paginabrede cartoon van Zak druipt de politieke ontreddering van het papier. (“Leterme vecht voor uitstel om eigen vel en regering te redden.”) Yves Desmet noemt het CD&V-NV-A-kartel “een electorale dopingpil”, een van de betere politieke metaforen van de laatste tijd. Binnenin valt op waarom De Morgen er hier zoveel beter uitziet dan in België: de Portugese editie is, op de cartoon van Zak na, helemaal in zwartwit gedrukt, wat nog altijd veel classier oogt dan al die kleurenfoto’s waardoor ook ‘kwaliteitstabloids’ steeds meer lijken op stripalbums en toeristische folders.

In Alcobaça, de schitterendste gotische kerk die ik ooit heb gezien, staan in de dwarsbeuken tegenover elkaar de graftombes van koning D. Pedro I en zijn geliefde Inês de Castro. Naar verluidt zijn ze “op uitdrukkelijke wil van de koning met de voeten naar elkaar toe geplaatst, opdat ze bij hun verrijzenis op de dag van het Laatste Oordeel elkaar onmiddellijk zouden zien.” Deze romantische wens is een verzinsel, knort Rentes de Carvalho in zijn gids, oorspronkelijk stonden de tombes immers naast elkaar. Maar wie geeft er nu iets om historische feiten in een kerk? In zekere zin is elke kerk de uitdrukking van een romantische wens. Voet tegen voet de eeuwigheid tegemoet: prachtige onzin waar geen feit tegenop kan.

23 juni 2008

Kafka, het meisje en de pop

Met Siri Hustvedt en Paul Auster in Passa Porta, 18 juni. Foto: © Katrin Straub

In zijn roman Brooklyn Follies, voortreffelijk naar het Nederlands vertaald door Ton Heuvelmans, vertelt Paul Auster een schitterende anekdote over Franz Kafka.

In 1923, een jaar voor zijn dood, verhuist Franz Kafka met zijn laatste liefde Dora Dymant van Praag naar Berlijn. Dora is negentien, Kafka is twee keer zo oud en weet dat hij niet lang meer te leven heeft, maar met deze jodin uit een chassidische Poolse familie beleeft hij daar in Berlijn wellicht de gelukkigste maanden van zijn leven, ondanks of misschien wel juist door het besef dat zijn einde nabij is.

‘Iedere middag gaat Kafka wandelen in het park. Meestal gaat Dora met hem mee. Op een dag komen ze een meisje tegen dat bittere tranen staat te huilen. Kafka vraagt haar wat er aan de hand is en ze vertelt hem dat ze haar pop kwijt is. Hij verzint onmiddellijk een verhaal om uit te leggen wat er gebeurd is. “Jouw pop is even op reis,” zegt hij. “Hoe weet u dat?” vraagt het meisje. “Omdat ze mij een brief heeft geschreven,” zegt Kafka. Het meisje vertrouwt het niet helemaal. “Hebt u die brief bij u?” vraagt ze. “Nee, het spijt me,” zegt hij, “die heb ik per ongeluk thuis laten liggen, maar ik breng hem morgen wel mee.” Zijn verhaal is zo overtuigend dat het meisje niet meer weet wat ze moet denken. Is het mogelijk dat die geheimzinnige man de waarheid spreekt?

Kafka gaat meteen naar huis om de brief te schrijven. Hij gaat achter zijn bureau zitten, en terwijl Dora toekijkt hoe hij schrijft, merkt ze dezelfde ernst en spanning op die hij vertoont als hij met zijn eigen werk bezig is. (...)

De volgende dag haast Kafka zich naar het park met de brief. Het meisje staat op hem te wachten en omdat ze nog niet kan lezen, leest hij de brief hardop voor. Het spijt de pop heel erg, maar ze heeft er schoon genoeg van om altijd bij dezelfde mensen te moeten wonen. Ze moet er nodig op uit, de wijde wereld in, om nieuwe vrienden te maken. Niet dat ze niet meer van het meisje houdt, maar ze verlangt naar een andere omgeving, en daarom moeten ze een poosje gescheiden leven. De pop belooft het meisje dat ze haar iedere dag zal schrijven en op de hoogte zal houden van haar activiteiten.’

Drie weken lang schreef de stervende Kafka iedere dag een gefingeerde brief, ‘afkomstig van een zoekgeraakte pop, om geen enkele andere reden dan om een meisje te troosten, een meisje dat een volmaakte vreemde voor hem is.’

‘De pop wordt groter, gaat naar school, leert andere mensen kennen. Ze blijft het meisje overtuigen van haar liefde voor haar, maar ze verwijst ook naar bepaalde verwikkelingen in haar leven die het haar onmogelijk maken naar huis te komen. Langzaam maar zeker bereidt Kafka het meisje voor op het ogenblik dat de pop voorgoed uit haar leven zal verdwijnen. Het kost hem moeite een bevredigend einde te bedenken (...). Na een aantal mogelijkheden te hebben geprobeerd besluit hij ten slotte de pop te laten trouwen. Hij beschrijft de jongeman op wie ze verliefd wordt, het verlovingsfeest, de bruiloft ergens op het platteland, en zelfs het huis waar de pop en haar man nu wonen. En in de laatste regel neemt de pop afscheid van haar oude, trouwe, geliefde vriendin.
Inmiddels mist het meisje de pop allang niet meer.’

Kafka heeft het meisje immers iets in de plaats gegeven. Na die drie weken hebben de brieven haar genezen van haar gemis, haar verdriet. ‘Ze heeft nu het verhaal...’

Me dunkt dat deze anekdote iets wezenlijks zegt over literatuur.

Na afloop van het gesprek dat ik vorige week met hem en zijn vrouw Siri Hustvedt voerde in Passa Porta, bevestigde Auster dat dit een waargebeurd verhaal is. Zijn bron was een boekje van Dora Dymant. Ik vroeg hem of die brieven van Kafka aan het verdrietige meisje in het park bewaard zijn gebleven. Dat wist Auster niet met zekerheid te zeggen. Hij dacht van niet. Maar in zijn ogen lichtte plotseling een erg austeriaans idee op...

30 mei 2008

Romeo en Julia: vertaalnotities (1)


In mijn verbeelding breng ik deze grijze lentedagen door in Verona, alwaar ik twee verliefde pubers en hun entourage nieuwe verzen en rijmen in de mond leg: in opdracht van het Nationale Toneel in Den Haag maak ik een nieuwe vertaling van Shakespeares Romeo and Juliet.

Heerlijk werk, dat tegelijk vereenvoudigd en bemoeilijkt wordt door vier illustere voorgangers wier vertalingen op mijn tafel liggen: L.A.J. Burgersdijk, Willy Courteaux, Hugo Claus en Gerrit Komrij. Twee Nederlanders, twee Vlamingen. Burgersdijk en Courteaux hebben alle stukken van Shakespeare vertaald, Komrij en Claus vele. Burgersdijk en Courteaux zijn het dichtst bij de ‘oorspronkelijke’ versie(s) gebleven, Komrij veroorlooft zich iets meer vrijheden, Claus wijkt het verste af. In de versie die hij in 1987 maakte voor de Antwerpse KNS, waar Jo Dua het stuk regisseerde, heeft hij vaak versmaat en rijm laten vallen. Dat is een ernstige ingreep. Eigenlijk spreek je dan al over een bewerking. Wat me tot nu toe in Claus’ tekst het meest bevalt zijn de coupures: heel efficiënt, verantwoord. Ongeveer één vijfde van
de tekst is weggelaten.Daardoor krijgt het stuk meer vaart.

Af en toe stoot ik op een weerspannig vers, een regel die zich maar niet wil overgeven en niet in het Nederlands te vatten lijkt zonder dat metrum, rijm en/of betekenis ernstige schade oplopen. Dan spiek ik even bij de oude meesters. Kijken hoe zij het hebben opgelost. Soms moet ik me gewoon gewonnen geven en accepteren dat iemand anders voor een bepaald vertaalprobleem de best denkbare oplossing, een niet te overtreffen beeld of zin gevonden heeft. Soms stel je vast dat ook de anderen er niet zijn uit gekomen. En soms - en dat is vaak het leukst - zie je dat er in de vertaaltraditie die deze tekst heeft gegenereerd, grote meningsverschillen bestaan. Niet over details, maar over belangrijke interpretatiekwesties. Laat ik één voorbeeld geven.

Tijdens de beroemde balkonscène in het tweede bedrijf waarschuwt Julia Romeo dat haar familie hem zal ombrengen als hij daar in die tuin zou worden betrapt. Waarop Romeo zegt:

I have night’s cloak to hide me from their eyes,
And but thou love me, let them find me here.
My life were better ended by their hate
Than death prorogued, wanting of thy love.
(II.ii.75-78)

Burgersdijk vertaalde dit zo:
Het kleed der nacht verbergt mij voor hun oog;
Hebt gij mij lief, zoo laat hen vrij mij vinden;
Maar liever, daadlijk sneven door hun haat,
Dan kwijnend sterven zonder uwe liefde.


Komrij:
De mantel van de nacht maakt me onzichtbaar.
Laat ze me zien - als jij maar van me houdt.
Ik sterf veel liever rechtstreeks door hun haat
Dan dat ik, zonder liefde, langzaam wegteer.


Claus:
Ik heb de mantel van de nacht
om mij voor hun ogen te verbergen.
Als jij van me houdt mogen zij mij zien.
Ik sterf liever door hun haat
dan dat ik zonder jouw liefde
mijn leven rek.


Alledrie hebben ze de passage, en met name de tweede regel, op dezelfde manier gelezen: als jij mij liefhebt, lijkt Romeo tot Julia te zeggen, dan mag jouw haatdragende familie mij hier best vinden, dan mogen ze mij zelfs rustig afmaken, liever dan dat ik verstoken van jouw liefde zou moeten verderleven. Ik was bijna met deze interpretatie mee, maar toen las ik bij Courteaux dit:

De mantel van de nacht omhult me; en hou
Je niet van mij, dan mogen zij mij vinden.
Veel liever sterf ik door hun haat, dan dat
Ik kwijnend leven moet zonder jouw liefde.


Ik denk dat Courteaux gelijk heeft. De betekenis van de passage is in zijn interpretatie in ieder geval coherenter dan bij de anderen. Immers, als Julia Romeo niét liefheeft, dan wordt het leven voor Romeo zo waardeloos dat hij net zo graag in de handen van haar familieleden wil sneven. Het idee dat haar familie hem gerust mag afmaken zolang zij hem maar liefheeft, lijkt me minder geloofwaardig. Dat zou een vorm van relativering en onthechting vooronderstellen die niet bij Romeo passen. (Teenage love!) Courteaux volgend heb ik er voorlopig van gemaakt:

Ik draag de camouflage van de nacht.
En hou jij niet van mij, laat ze me dan
maar vinden hier. Zonder jouw liefde is
mijn leven slechts een uitgestelde dood,
dan kan ik beter sterven door hun haat.


(wordt vervolgd)

25 mei 2008

Afscheid van een tafel

Het was moederdag en wij zaten weer moeizaam bijeen.
Drie als volwassenen vermomde kinderen, verenigd rond een houten tafel waarover zij jaren heeft geheerst.
Rond de tafel.
Hier vandaan ordende zij voor man en kinderen de dagen, hier werden rapporten getekend en boodschappenlijstjes uitgevaardigd, dit was de hoofdzetel van haar dagelijks bestuur. Aan deze randen leerden wij tafelmanieren en spinazie eten, boven dit geverniste blad vouwde zij voor ons de wereld open, hier hoorden wij voor het eerst namen als “Kennedy” en “Biafra”, aan deze tafel is gezongen, gehuild en Churchill geciteerd. Dit was het centrum van een nu weggevaagde stad, hier vandaan zijn wij opgestegen, wiekend de wereld in.

Na haar dood is de tafel in dit huis terechtgekomen. Andere borden, ander licht, gerechten die toen niet bestonden. Aan de randen groeien nu andere, niets vermoedende kinderen die zij slechts door mij kan zien, ik ben haar periscoop in een andere tijd. De tafel is een andere tafel nu, wij zijn in het hout getrokken.

Zij lacht ons al jaren toe vanaf de muur.

Telkens wanneer wij hier weer samenzitten in haar nabestaan, drie kinderen in grote mensenkleren, komt zij algauw achter het glas vandaan, neemt weer plaats aan het hoofd, zegt niets - en wij knikken onzichtbaar.

Later die avond leunde iemand op de tafel en gebeurde het ondenkbare. De poten klapten opzij en sneller dan wij het konden bevatten, donderde de tafel tegen de grond. De scharnieren gebroken, de ijzeren banden doorgebogen, het blad gebarsten - deze tafel was niet meer overeind te krijgen. Dat dit meubelstuk ons uitgerekend op deze dag zo plots ontviel: wij negeerden de al te opdringerige symboliek. Wij droegen de tafel de tuin in en verzaagden haar tot haardhout. Een tafel is ook maar een tafel, logen wij, en gingen veel ouder weer naar binnen.

19 april 2008

Katholieken in Amerika

Naar aanleiding van het pausbezoek aan de VS is het misverstand weer overal te horen en te lezen: de katholieken zouden in het overwegend protestantse Amerika maar een kleine minderheid zijn - een beetje zoals de getuigen van Jehovah bij ons.
Niets is minder waar. Some facts and figures.

In feite vormen de katholieken juist de allergrootste christelijke gezindte in de VS. In 2001 waren er volgens de religieuze statistiekensite http://www.adherents.com/ in de VS ongeveer 65 miljoen katholieken. Dat was toen 24,5% van de Amerikaanse bevolking. Volgens CNN zou dat aantal nu al opgelopen zijn tot 70 miljoen, wat nog steeds bijna een kwart van de alsmaar toenemende Amerikaanse bevolking is.

(Volgens het Amerikaanse Census Bureau waren er op zaterdag 19 april om 20.20u Belgische tijd 303 890 810 Amerikanen.)

Volgens het Jaarboek van de Amerikaanse en Canadese Kerken zag de top-drie van de Amerikaanse Kerken in 2005 er zo uit:
1) de katholieke Kerk (67,2 miljoen leden);
2) de Southern Baptist Convention (16,4 miljoen)
3) de United Methodist Church (8,2 miljoen).
De katholieken vormen dus met voorsprong de grootste denomination binnen de christelijke geloofsgemeenschap van de VS. (Als je alle protestantse gezindten bij elkaar optelt, komen de protestanten natuurlijk op een groter aantal uit, maar ‘de protestanten’ alsdusdanig bestaan niet als Kerk in de VS.)

In feite was Amerika eerst een katholiek land en is het pas daarna protestants geworden. De eerste katholieken arriveerden er immers al aan het begin van de zestiende eeuw, toen (katholieke) Spaanse immigranten zich vestigden in wat nu Florida heet. Naar verluidt zou de allereerste christelijke eredienst ooit gehouden in wat nu de VS is, een katholieke misviering in Florida zijn geweest.
Nu de Puriteinen weer.

Die kwamen zoals bekend in de zeventiende eeuw aan op de oostelijke oevers, met het stellige plan in de Nieuwe Wereld een protestantse modelstaat te stichten die de hele wereld tot voorbeeld zou strekken. Hoe gezellig het in die Puriteinse utopie toeging heeft Nathaniel Hawthorne in zijn romans en novellen op indrukwekkende wijze beschreven.

Dus ja, vanaf de zeventiende eeuw leek met name het koloniale New England een protestantse cultuur te zullen worden. Ten tijde van de Amerikaanse Onafhankelijheidsoorlog leefden er in deze contreien 30 000 katholieken, dat was toen niet eens 1% van de bevolking.

De snelle en gigantische toename van het katholieke aandeel in de christelijke gemeenschap in de VS is makkelijk te verklaren: de grote immigratiestromen die het land vanaf de negentiende eeuw overspoelden, kwamen doorgaans uit overwegend katholieke landen en maatschappijen. In de eerste plaats uit Ierland (de potato famine in 1845 ontketende een massale migratie van Ieren naar de VS), maar ook uit Italië, Polen, het zuiden van Duitsland. (In de boeken van Karl May komen Old Shatterhand en Winnetou Duitse trappers uit Beieren tegen, die diep in de Amerikaanse prairie het Ave Maria zingen.) Ook uit Franstalig Canada zakten in het midden van de negentiende eeuw vele duizenden katholieken af naar de VS, in de hoop daar beter emplooi te vinden. Tot deze groep van overwegend blue collar gelovigen behoorden onder meer ook de ouders van Jack Kerouac. (De schrijver van On the Road heeft zichzelf zijn hele Amerikaanse leven lang als een katholiek beschouwd.)

Een paar cijfers.
In 1830 telden de VS 600 000 katholieken. Tussen 1880 en 1900 kwamen er maar liefst 2,5 miljoen katholieke immigranten bij. Het is niet moeilijk te begrijpen dat zo’n bruuske toename van het katholieke volksdeel weerstand en wrevel veroorzaakte. Gedurende de eerste helft van de twintigste eeuw lukte het katholieken in de VS maar uiterst zelden om in de politieke en gerechtelijke instellingen van het land een toppositie te verwerven.

Het was dan ook niet weinig vermetel van John F. Kennedy, een rijkeluiszoontje uit een Iers en dus katholiek gezin in Boston, om in 1960 mee te dingen naar het hoogste politieke ambt. Zijn katholieke achtergrond was voor heel veel Amerikanen immers een voldoende reden om in geen geval voor JFK te stemmen, hoe briljant of charmant hij verder ook mocht zijn. Het katholieke stempel was voor Kennedy in 1960 zo ongeveer wat huidskleur is voor Obama nu: een bron van visceraal wantrouwen bij een aanzienlijk deel van het Amerikaanse electoraat.

De migratiegolven uit met name Latijns-Amerikaanse landen in de tweede helft van de twintigste eeuw, verklaart mede waarom de katholieke gemeenschap de afgelopen decennia is uitgegroeid tot de grootste groep binnen de Amerikaanse christenheid.

Inmiddels worden katholieken in politieke en juridische middens ook niet langer als paria’s behandeld. Integendeel zou je kunnen zeggen: vijf rechters in het Amerikaanse Hoogerechtshof, onder wie Chief Justice John Roberts, zijn katholiek. Dat was twintig jaar geleden nog ondenkbaar. En hoewel katholieken traditioneel voor de Democratische partij stemmen, heeft uitgerekend G.W. Bush twee katholieke rechters in het hoogste Hof benoemd (Roberts en Samuel Alito).

In het verleden stemden katholieken bij presidentsverkiezingen meestal voor de Democraten. Of ze dat ook dit jaar zullen doen, is erg twijfelachtig. Er bestaat niet langer zoiets als ‘thé catholic vote’ in Amerika. Ook de katholieken zijn verdeeld. Zo was voor vele katholieken het pro-abortusstandpunt van Bill Clinton al een groot probleem (never mind Monika), terwijl diezelfde katholieken de republikeinse standpunten inzake immigratie en de doodstraf dan weer te streng, te rechts vinden. Vele katholieken zouden in deze verkiezingsstrijd een stem voor McCain overwegen omdat McCain ‘pro life’ (anti abortus) is, maar McCain’s standpunt over Irak staat hen dan weer tegen. In de tweestrijd bij de Democraten is het tot nu toe duidelijk Hillary Clinton die de meeste katholieke stemmen binnenhaalt. Volgens sommige analysten is het dankzij deze katholieke steun dat Clinton überhaupt nog in de race zit. (In de staten Ohio en Texas won ze bij de voorverkiezingen twee derden van de ‘catholic vote’.)
Het is dus helemaal geen uitgemaakte zaak hoe de katholieke gemeenschap in de VS dit jaar gaat stemmen. Maar in een race die ongelooflijk close lijkt te zullen zijn, is het begrijpelijk dat alledrie de kandidaten hun uiterste best doen om ook zoveel mogelijk katholieke stemmen voor zich te winnen.

In dit licht komt het bezoek van de paus op een interessant moment. De paus zal zich uiteraard niet voor deze of gene kandidaat uitspreken. Wie van de drie uiteindelijk het meeste baat zal hebben gehad bij het pauselijk bezoek, zullen we wellicht pas kunnen meten in de dagen en weken nadat de Heilige Vader naar Rome zal zijn teruggekeerd, aan boord van de Shepherd One.

23 maart 2008

Brief aan René Stockman, Broeder van Liefde




Broeder,

U heeft gemeend in de pers te moeten reageren op de manier waarop schrijver Hugo Claus uit dit leven is gestapt, en op de manier waarop in de media over zijn dood is bericht. Dat is uw goed recht. Zoals het ook Claus’ recht was om zijn onomkeerbare aftakelingsproces af te breken en op de dood toe te stappen in plaats van haar nog langer en steeds weerlozer af te wachten.

Maar het gaat hier niet over rechten. Het gaat hier zelfs niet over twee tegengestelde visies op leven en sterven en de ethische consequenties daarvan, het gaat hier niet over gelijk en ongelijk. Het gaat hier over niveau. Over het niveau waarop iemand denkt, zijn overtuigingen uitdrukt en de overtuigingen van andersdenkenden weergeeft. Het gaat hier over stijl en, welja, intellectuele klasse. Het gaat hier over alles wat in uw reactie ontbrak.

Uw kritiek gold in de eerste plaats de wijze waarop Claus’ euthanasie in de media en door vooraanstaande burgers in dit land is begroet. U viseerde met name de pas afgetreden premier, wiens hommage aan zijn overleden vriend volgens u een “tendentieuze stelling” bevatte. Daarmee doelde u op Verhofstadts respect voor Claus’ keuze om zich te laten euthanaseren. Later in uw tekst gebruikte u hetzelfde woord nog een keer. U noemde de lof voor Claus’ beslissing in de media “meer dan tendentieus”. U weet niet goed wat het woord ‘tendentieus’ betekent, geloof ik. ‘Tendentieus’ betekent iets met opzet zo voorstellen dat “aan de waarheid te kort gedaan wordt” (Van Dale). ‘Tendentieus’ vooronderstelt dus dat er een waarheid is die vervolgens verwrongen, verdraaid, gekleurd kan worden weergegeven. In de context van dit ethische debat bestaat een dergelijke, voorafgaandelijke waarheid niet - zoals u natuurlijk ook wel weet. Je kunt hooguit stellen dat voorstanders van euthanasie te kort doen aan uw waarheid, net zoals uw afkeer van euthansie te kort doet aan hun waarheid hieromtrent, wat meteen bewijst dat er in deze kwestie geen waarheid is. U had dus niet het woord ‘tendentieus’ moeten gebruiken, maar wel ‘subjectief’, of ‘persoonlijk’, zelfs ‘problematisch’ of ‘controversieel’ - allemaal mogelijke, filosofisch toelaatbare kwalificaties. Of zou het kunnen dat u juist heel goed weet wat 'tendentieus' betekent, en dat het dus uw bedoeling was te suggereren dat u de waarheid bezit en andersdenkenden dwalen?

In diezelfde alinea stelde u bovendien dat sommigen Claus’ euthanasie “de hemel inprijzen als summum van edelmoedigheid”. Waar stond dat? Ik heb dit nergens gelezen. Ik heb wél gelezen dat velen deze beslissing moédig vonden, wat deze beslissing wellicht ook was. Men stapt namelijk niet “zomaar” uit dit leven, ook Hugo Claus niet. Dat woordje “zomaar” werd vanochtend gebruikt door uw geestesgenoot kardinaal Danneels in zijn homilie tijdens de paaswake in de Sint-Romboutskathedraal in Mechelen. Volgens De Standaard zei hij daar het volgende: “Door zomaar uit het leven te stappen, antwoordt men niet op het probleem van lijden en dood. Men loopt er in een boog omheen en omzeilt het. Omzeilen is geen heldendaad, geen voer voor frontpaginanieuws.” Eén ding wil ik u alvast nageven: u bent dapperder dan uw kardinaal. U noemde tenminste man en paard, de kardinaal niet, de kardinaal verkoos de schrijver via insinuerende algemeenheden te kritiseren. Een beetje laf van de kardinaal.

U uitte niet alleen uw ongenoegen over de manier waarop de media Claus’ euthanasie hebben begroet, u viseerde ook de schrijver zelf. Laat ik deze passus integraal citeren, omdat hij zowel de kern als het dieptepunt van uw betoog vormt:

Heeft Hugo Claus nagedacht toen hij deze stap zette welke boodschap hij zou geven aan deze mensen, aan hun naasten, aan hun verzorgers, aan de ruimere samenleving? Hij heeft het vanuit zijn mensbeeld wellicht als een individueel recht beschouwd dit te kunnen doen, maar dan heeft hij toch de sociale impact van zijn daad onderschat. Vanuit zijn levensvisie waren lijden en aftakeling wellicht in oppositie met een waardevol leven, maar ook hier heeft hij toch een belangrijke realiteit van het leven ontkend: dat waardevol leven niet alleen afhangt van capaciteiten die men al dan niet kan ontwikkelen en dat men als medemens juist wordt uitgenodigd anderen te helpen als ze in hun capaciteiten falen, waarin nieuwe facetten van medemenselijkheid kunnen opbloeien. Het was uiteraard zijn visie en daar willen we in een maatschappij waar ruimte is voor verscheidenheid respect voor opbrengen, ook al strookt het niet met ons mensbeeld en onze levensvisie.

Uw retorische, wat denigrerende vraag (“Heeft Hugo Claus nagedacht...?”) suggereert dat de schrijver over die boodschap onvoldoende heeft nagedacht. Maar is er wel een boodschap? En hoe weet u eigenlijk wat die boodschap is? En voor hoeveel mensen is die boodschap zo erg als u lijkt te denken? Heeft u “de sociale impact van zijn daad” al onderzocht? Zou deze impact niet iets meerduidiger, complexer kunnen zijn dan u lijkt te veronderstellen?

Een dag eerder publiceerde diezelfde krant een bijdrage waarin de coördinator van Exepertisecentrum dementie Vlaanderen de pertinente vraag stelde: Is dementie mensonwaardig? Het was een kort, helder, gematigd stuk, waarin gewaarschuwd werd voor de nogal ondoordachte manier waarop sommigen - en met name politici - een dement leven a fortiori “mensonwaardig en niet levenswaardig” lijken te vinden. Het was een a-ideologisch, a-confessioneel en ook helemaal niet tendentieus stuk, waarin zeer terechte vragen werden gesteld. Maar de coördinator was dan ook geen Broeder van Liefde - what’s in a name.

De kern van uw betoog zat in de bewering dat Claus “een belangrijke realiteit van het leven heeft ontkend”, namelijk “dat waardevol leven niet alleen afhangt van capaciteiten die men al dan niet kan ontwikkelen en dat men als medemens juist wordt uitgenodigd anderen te helpen als ze in hun capaciteiten falen, waarin nieuwe facetten van medemenselijkheid kunnen opbloeien.” Het is een zin die om euthanasie schrééuwt, zo krakkemikkig is hij, maar dit terzijde. Dit is de fundamenteelste passus in uw tekst, omdat u hier moet uitleggen wat volgens u en uw christelijke geestesgenoten de zin van het lijden is, een zin die voor mensen als Claus en zijn humanistische geestesgenoten inderdaad onbestaande is.

Voor vrijzinnige humanisten is het onnoemelijke leed van een onomkeerbaar aftakelingsproces - ik denk aan de laatste maanden en beelden uit het leven van paus Johannes Paulus II bijvoorbeeld - zinloos en mensonterend. Over deze fundamentele kwestie is tussen gelovigen en niet-gelovigen geen consensus mogelijk. Dit is een breuklijn, een kloof.

Maar wat doet u in deze passus? U verklaart de zin van het lijden door te verwijzen naar de zin die dit lijden kan hebben voor anderen, namelijk voor de medemens die zich uitgenodigd weet om de lijdende te helpen. Maar dat is niet de essentie natuurlijk, de essentie is: wat is de zin van het lijden voor de lijdende? Precies omdat u op deze vraag het antwoord schuldig blijft, omdat u in de loop van één terminale zin op bijna slinkse wijze de vraag van de zingeving verplaatst van de lijdende mens naar de medemens - vond ik uw betoog niet alleen een aanslag op het menselijk taalgevoel maar ook een intellectuele belediging. Nogmaals: ik spreek u niet aan op uw christelijke overtuiging, ik spreek u aan op de kwaliteit van uw redenering en uw stijl. U denkt zo beroerd en schrijft zo belabberd dat u niet eens de kern van uw eigen geloofsovertuiging op een heldere en aannemelijke wijze kunt verwoorden. Ik dacht daareven: als katholieke gezagsdragers in deze tijd hun wereldbeeld en hun ethiek niet overtuigender meer kunnen formuleren dan Broeder Stockman, dan hoeven we uit die hoek niets meer te vrezen.

Na die volstrekt inadequate alinea over het menselijk lijden, ontspoorde uw artikel in kreten en karikaturen die een nauwkeurige weerlegging niet eens verdienen. U had het over “de arrogantie” van “een bepaalde groep in de samenleving” die “pretendeert de norm voor de gehele samenleving te bezitten” en die wenst “op te dringen aan eenieder”. In zijn reactie op uw stuk, diezelfde dag verschenen, heeft Etienne Vermeersch de aperte onwaarheid van dergelijke beweringen nog maar eens aangeklaagd. Hij schreef onder meer: “Wellicht gaan zij die aan anderen eeuwenlang een eenheidsdenken over leven en dood hebben opgelegd, ervan uit dat iedereen die voor zichzelf - en alleen voor zichzelf - een andere visie ontwikkelt, die meteen ook aan anderen wil opdringen. Dogmatici denken blijkbaar dat iedereen die een afwijkende mening heeft, ook zelf een dogmaticus wil zijn.” Misschien moet u hierover toch eens even goed nadenken.

“Onder de mom van vrijheid van mening worden we gedwongen een opgedrongen mening in vrijheid over te nemen” schreef u nog. Maar u bent het beste tegenbewijs van wat u hier beweert. U neemt namelijk helemaal niets over. Het feit dat u uw afwijkende mening toch maar mooi in een mainstream massamedium kon publiceren en daarmee behoorlijk wat persaandacht voor uw standpunten en uw kritiek genereerde, logenstraft wat u in deze sikkeneurige en pruilerige passage bijna zegt, namelijk dat er vandaag in Vlaanderen een soort cordon médiatique zou bestaan dat u en de uwen verhindert uw mening te uiten. De publicatie van uw lamentabele tekst getuigt juist van extreme journalistieke tolerantie.

Tot slot, uw suggestie dat Claus’ besluit en de mediareacties neerkomen op een “ode aan het leven van de volmaakten, van de succesvollen” is wel bijzonder pijnlijk voor iedereen die ooit ook maar een heel klein beetje kennis heeft genomen van Claus’ werk. Ik ken niet veel schrijvers of dichters in onze literatuur in wier werk het onvolkomene, het gebrekkige en het kwetsbare van het menselijk bestaan met zoveel luciditeit, mededogen en ja, liefde is vormgegeven als in het werk van Claus. Dit veelkantige oeuvre is een woedende ode aan de kleine mens, de bange, stamelende, altijd struikelende en telkens weer overeind krabbelende mens. Dit is een oeuvre trouw aan de aarde, zou Albert Camus hebben gezegd. Het is een oeuvre met hoogten en laagten, jazeker, maar het is mij in ieder geval oneindig veel dierbaarder dan uw wellicht niet eens malicieus bedoelde maar o zo ondermaatse geneuzel.

28 februari 2008

Waarom de verfilming van De vliegeraar niet deugt

Het boek is beter dan de film: dat geldt voor bijna alle verfilmingen van grote romans - van Lolita tot L’amant, van The Sheltering Sky tot Het parfum, van The Scarlet Letter tot The Great Gatsby. (Wat niet wil zeggen dat verfilmingen van romans noodzakelijk slechte films opleveren. Ik vond The French Lieutenant’s Woman destijds en The English Patient bijvoorbeeld op zich wel geslaagde films.)

Dat geldt ook voor The Kite Runner, in het Nederlands vertaald als De vliegeraar, de hartverscheurende bestseller van de Amerikaans-Afghaanse schrijver-arts Khaled Hosseini, een boek uit 2003 dat nu is verfilmd door de Amerikaanse regisseur Marc Forster. Maar waarom is het boek dan beter? En waarom werden bepaalde elementen uit de roman in de film weggelaten?

Uiteraard is het niet mogelijk om de hele anekdotiek van een roman die 350 bladzijden beslaat in beeldtaal om te zetten en te vatten in anderhalf of twee uur film. Verfilmingen couperen vrijwel altijd. Maar in het geval van De vliegeraar hebben die coupures soms tot gevolg dat de film ideologisch iets anders vertelt dan de roman. De weglatingen krijgen daardoor iets van verzwijgingen, waardoor de akelige indruk ontstaat dat de film het boek censureert.

Hosseini vertelt het verhaal van twee jongetjes, Amir en Hassan, die opgroeien in het Kaboel van de jaren zeventig van de vorige eeuw. Amir behoort tot de upper class van Afghanistan, de (sjiïtische) Pashtun, Hassan behoort tot de (soennitische) Hazara’s, de basse classe van Afghanistan, een beetje vergelijkbaar met de Paravans in Indië. Hassan en zijn vader Ali zijn het huispersoneel van Amir en zijn vader Baba. Ondanks het absolute klasseverschil groeien de twee jongetjes samen op. Vriendschap is sterker dan culturele en socio-economische barrières, zo lijkt het in het begin van het boek. Maar die illusie gaat aan diggelen wanneer de twee jongens te maken krijgen met “de blonde, blauwogige Assef”, een stuitend upper class joch dat opgroeit in de kringen van Daoud Kahn, de man die in juli 1973 een einde maakte aan het koningschap van Zahir Shah en in Afghanistan de republiek installeerde. Assef mag andere kinderen in de chique Wazir Akbar Khan-wijk graag terroriseren. In het boek heeft Assef “een Duitse moeder en een Afghaanse vader” en een grote bewondering voor Adolf Hitler. “Dat was nog eens een leider,” bralt hij tijdens een vervelende ontmoeting met Amir en Hassan op straat, “een groot leider. Een man met visie.” Vervolgens schrijft Hosseini over Assef: “Zijn blauwe ogen schoten naar Hassan. ‘Afghanistan is het land van de Pashtun. Dat is altijd zo geweest en dat zal altijd zo blijven. Wij zijn de ware Afghanen, de zuivere Afghanen, en niet die platneus daar (hij bedoelt de Hazara Hassan - fa). Zijn volk bezoedelt ons vaderland, onze watan. Zij bezoedelen ons bloed. Afghanistan voor de Pashtun, zeg ik.’ ”

Hosseini vermengt het nationalistische vertoog van de elitaire Pashtun met het racistische Blut und Boden-discours van Hitlers Derde Rijk. Dat is in het boek geen onbelangrijk detail, aangezien Yussef veel later in het verhaal een talib blijkt te zijn geworden, die tijdens het terreurregime van de Taliban overspeligen stenigt in het Ghazi-voetbalstadion en met jonge jongetjes knoeit. De boodschap van de roman is hier erg duidelijk, op het didactische af: de Taliban zijn de nazi’s van Afghanistan.

Die heftige associatie is in de film volkomen uitgewist. Yussef is er een gewone, weliswaar vervelende maar in ieder geval niet langer blauwogige slungel. In het boek krijgt Amir op zijn verjaardagsfeestje van Assef een biografie van Hitler cadeau. (Assef is op dat feestje aanwezig omdat zijn vader en Amirs vader vrienden zijn.) In de film is er van een Hitlerbiografie geen sprake. In het boek bepotelt talib Yussef een weesjongetje (het zoontje van Hassan), in de film is die scène verproperd. Ook de stenigingsscène is in de roman vele malen ondraaglijker dan in de film.

De meeste weglatingen in de film zijn minder problematisch, en hebben slechts tot gevolg dat de film hier en daar minder helder, minder geloofwaardig overkomt dan het verhaal in het boek. Hoewel: de radicaliteit van het klassenconflict in de Afghaanse maatschappij is behoorlijk afgezwakt, net zoals Amirs alles bepalende vadercomplex. Ook het feit dat Amir en Hassan als zuigeling aan dezelfde min hebben gehangen, blijft in de film onvermeld. In de film lijkt het bovendien erg makkelijk om uit een talibankamp te ontsnappen, en is ook de hele poging van Amir om Hassans zoontje uit de klauwen van de Taliban te redden zodanig vereenvoudigd dat het lachwekkend wordt.

Maar meer dan al deze teleurstellende ingrepen is het de opvallende, radicale de-nazificatie van het boek die ernstige vragen opwerpt. Is het mogelijk dat deze laag uit het verhaal is weggehaald uit angst voor woedende reacties in Afghanistan en andere moslimlanden? (Volgens het blad Filmmagie is The Kite Runner “een van de eerste Hollywoodfilms, zoniet de eerste, waarin uitsluitend moslims acteren.”) Per slot van rekening is de release van de film uitgesteld totdat de Afghaanse acteurs die de verkrachtingsscène spelen in veiligheid waren gebracht - bang als de makers van de film waren voor ‘Deense toestanden’ - represailles van Afghaanse fundamentalisten die geen onderscheid maken tussen acteurs en de rollen die acteurs spelen.

Is het denkbaar dat overwegingen van commercieel-tactische aard ertoe hebben geleid dat de film het boek censureert en dus verminkt? En wat te denken van een schrijver die toestaat dat zijn boek op een dergelijke, neutraliserende manier wordt verfilmd?

21 februari 2008

God is niet dood

In een pub in Oxford las de Britse Europa-specialist Larry Siedentop een graffiti die volgens hem ook op de activiteiten van de Europese Unie van toepassing is:

'God is niet dood maar werkt tijdelijk aan een minder ambitieus project.'

(Gelezen in Paleis Europa, De Bezige Bij 2007)

14 februari 2008

"Vlaanderen is nu alleen nog voor Vlaanderen"

Jacques De Decker over de journalistieke onthullingen in De Standaard en de politieke malaise.

Maandagavond 11 februari zat ik aan een Brusselse tafel te praten met Jacques De Decker, journalist bij Le Soir, schrijver, essayist, vertaler, en een van de best geïnformeerde, perfect tweetalige Belgen uit het zuidelijke landsdeel. We hadden het onder meer over de opmerkelijke artikelenreeks in De Standaard over de mislukte regeringsformatie van Leterme en vooral over het politieke gekonkel in de coulissen van de macht. Jacques De Decker kent het Belgische Hof goed en hij weet ook zeer goed wat er leeft in Franstalige intellectuele en journalistieke middens. Het leek me daarom niet oninteressant zijn meningen over een en ander op te tekenen - met medeweten en goedvinden van mijn tafelgenoot.

Waarom denkt u dat De Standaard nu met zo’n reeks komt?
De Decker: “Vorige week hebben vele journalisten op verschillende redacties een paar dagen vakantie genomen. Vele politici hebben trouwens hetzelfde gedaan. Men heeft dus voor deze “achter de schermen”-formule gekozen om pagina’s te vullen met een materie die sedert deze crisis zeer rendabel is geworden. Politiek verkoopt in de kwaliteitskranten. De Standaard, De Morgen en Le Soir zijn de enige gazetten die de laatste maanden meer verkocht hebben, omdat de lezers meer dans ooit geboeid zijn door de politieke thriller die we iedere dag in feuilleton-vorm voorgeschoteld krijgen. De Standaard heeft ervoor gekozen om een schok-formule toe te passen: “We gaan vertellen wat alleen in de oren van de ingewijden gefluisterd wordt.” Ze hebben hun doel bereikt: in mijn krantenwinkel vanmorgen was er geen Standaard meer te vinden. De politici verkopen beter dan de sterren van de show-business. Joëlle Milquet is in het zuiden van België een soort Madonna aan het worden.”

Het problematische van dit soort journalistiek is dat een van de hardst aangevallen personen, namelijk de koning, niet kan reageren. Of vindt u dat de vorst, nu het vertrouwelijke karakter van zijn werk door politici en pers is geschonden, ook maar meteen vrijuit moet spreken?
De Decker: “Dat is juist het onaanvaardbare van deze methoden. De koning mag niet reageren, en hij zal het ook niet doen. Hij weet dat hij een symbolische rol speelt, en symbolen mogen geen polemiek voeren. Maar de politici in dit land weten zeer goed dat ze, zodra ze een uitnodiging bij de koning aanvaarden, die symbolische orde ook horen te respecteren. Nu is het zo dat men in bepaalde milieus een hekel heeft aan dat symbolische. Ik denk bijvoorbeeld aan de rexisten, die het voor de tweede wereldoorlog al zeer leuk vonden om foto’s te gaan maken in vrijmetselarentempels. Demagogen en populisten gaan ook graag deze weg op. Het verhaal van Bart De Wever over zijn gesprek met de koning kun je in dit kader terugplaatsen.”

Hoe reageert de Franstalige pers op deze duidelijk geënsceneerde indiscreties?
De Decker: “Zeer heftig. Dat is niet verwonderlijk. Volgens de Franstaligen zijn hier ongeschreven spelregels geschonden die aan de basis liggen van het Belgische contrat social. Men heeft de indruk dat die regels in Vlaanderen worden beschouwd als de overblijfselen van een voorbijgestreefd België. Zoals de Brabançonne, bijvoorbeeld. De Vlaamse mythologie heeft in het Noorden van het land de Belgische symbolen overschaduwd.”

Wat verwacht u dat er zal gebeuren als er op 23 maart geen nieuwe regering komt?
De Decker: “Wie kan daarop antwoorden? Is België nog een gelovig land? Vroeger had men in Vlaanderen voor een nieuwe regering gebeden. Maar Vlaanderen is niet meer voor Christus hé, Vlaanderen is nu uitsluitend nog voor Vlaanderen.”

Uitgerekend deze week viert Vlaanderen de 25ste verjaardag van Hugo Claus’ “Het verdriet van België”, misschien wel de grootste roman die ooit over dit land is geschreven. U bent een groot bewonderaar en kenner van Claus’ oeuvre. Wat denkt u van zijn werk in deze dagen, nu politiek wanbeheer dit land naar de afgrond lijkt te voeren?
De Decker: “Claus heeft alles voorzien. Nog meer in De Verwondering of in zijn Leven en werken van Leopold II dan in Het verdriet van België. Zijn helderziendheid is indrukwekkend. Hij heeft dit land begrepen en doorzien zoals Joyce Ierland, Thomas Bernhardt Oostenrijk of Leonardo Sciascia Sicilië. Vlaanderen heeft ook haar gigantische auteur die haar niets vergeeft. Maar wordt hij nog voldoende gelezen?”