17 juni 2017

"Motherfucking groene vingers": is Paul Beatty's bejubelde roman The sellout wel vertaalbaar?

 


Het heeft niet veel gescheeld of The Sellout, de vierde roman van de Afrikaans-Amerikaanse auteur Paul Beatty (°1962), was in Groot-Brittannië nooit verschenen. Het boek was al door achttien uitgeverijen afgewezen toen OneWorld, een kleine onafhankelijke uitgeverij, het toch aandurfde om deze woeste satire over racisme in de VS uit te brengen. En kijk: Beatty won prompt de Man Booker Prize 2016 – amper twee jaar nadat de organisatoren van Engelands meest prestigieuze literaire bekroning de prijs toegankelijk hadden gemaakt voor alle Engelstalige schrijvers, tot groot ongenoegen van, bijvoorbeeld, Julian Barnes, die vond dat Amerikanen maar hun eigen prijzen moeten winnen.

De recensies die ik her en der in de pers heb gelezen waren overwegend lovend. “Een van de belangrijkste en moeilijkste Amerikaanse romans van de 21ste eeuw,” vond de Los Angeles Times. “Swiftiaanse satire van het hoogste niveau,” oordeelde de Wall Street Journal. De San Francisco Chronicle noemde Beatty een hedendaagse Mark Twain.   En de meestal nogal bezadigde National Public Radio had het over “de eerste grote satirische roman van de eeuw” en “een komisch meesterwerk”. Ook The Guardian vond het boek “meesterlijk” en promoveerde Beatty tot “Amerika’s grappigste schrijver.” Alleen in de Britse krant The Telegraph las ik enig voorbehoud (http://www.telegraph.co.uk/books/what-to-read/man-booker-prize-shortlist-2016-paul-beattys-the-sellout-is-an-o/) en ook de Standaard der Letteren, het boekenkatern van De Standaard, was niet onder de indruk. De stijl van Beattys boek werd er omschreven als “waanzinnig rusteloos”. Dat kun je wel zeggen.

Het uitgangspunt van The Sellout is veelbelovend. In het Hooggerechtshof in Washington D.C. zit een zwarte man, “stoned van herinneringen en marihuana”, te wachten tot zijn zaak wordt behandeld. De aantijgingen zijn niet gering. Me, zo heet de man, heeft de Amerikaanse grondwet tweemaal overtreden. Hij bezit namelijk een slaaf – wat het Dertiende Amendement verbiedt- én hij wil de rassensegregatie opnieuw invoeren – wat indruist tegen het Veertiende Amendement. Roept de zwarte raadsheer tegen de zwarte verdachte: “Nigger, ben je gek geworden?” Maar Me denkt: “Sinds wanneer heeft een beetje slavernij en segregatie iemand kwaad gedaan, en zo ja, de ballen.”
Aan het eind van deze veelbelovende ouverture krijgt de lezer het verdict van het Hof niet te lezen. Ah! dacht ik, een raamvertelling, een vorm die hoge verwachtingen schept en, als het vakkundig is gedaan, de lezer doet doorlezen. Jammer genoeg lost De verrader die verwachting niet in. Driehonderd pagina’s later, aan het slot, weet je nog steeds niet wat het Hof nu heeft beslist. Wat weten we dan wel?

Me, de ik-verteller, woont op een boerderij in Dickens, een getto aan de zuidkant van Los Angeles. Hij is enig kind en heeft een enorm vadercomplex. Zijn moeder is in geen velden of wegen te bekennen. Alles draait om pa, een gerespecteerd psycholoog die wetenschappelijke experimenten uitprobeert op zijn zoontje en in het dorp bekendstaat als de Niggerfluisteraar:
 “Als ergens een nigger ‘helemaal de weg kwijt was’ en uit een boom of van een hoog viaduct moest worden gepraat, dan werd hij er altijd bij geroepen. (...)De stem van mijn vader kon razernij omzetten in ontspanning en mensen in staat stellen hun angsten onbevangen onder ogen te zien.” 
De vader van Me is ook voorzitter van “de Intellectuelen van de Dum Dum Donut, de plaatselijke denktank” – de naam is meteen een goed voorbeeld van de manier waarop Beatty’s tekst vaak komisch wil zijn, namelijk door zogenaamd ‘hoge’ culturele begrippen of referenties (denktank, intellectuelen) te vermengen met zogenaamd ‘lage’ elementen uit de populaire cultuur (Donut).

Twee rampen treffen Me: zijn vader wordt door de politie doodgeschoten en vijf jaar later houdt Dickens, het dorp in de stad waar hij is opgegroeid, op te bestaan. Dat is heel erg, ook voor die andere inwoner van Dickens, Hominy Jenkins, een knettergekke en stokoude acteur die in lang vervlogen tijden bijrolletjes speelde in The Little Rascals (De Boefjes), een reeks komische korte films die in de jaren twintig van de vorige eeuw erg populair was in Amerika. (Terzijde: in de gelijknamige, op deze filmpjes gebaseerde langspeelfilm uit 1994 speelt Donald Trump een bijrol.). Zolang Dickens nog bestond, kwamen fans van The Little Rascals de oude acteur Jenkins er weleens opzoeken. Maar toen “Dickens verdween, verdween ik mee. Ik krijg geen fanmail meer. Ik heb al tien jaar geen bezoek meer gehad, want niemand weet me nog te vinden.”
Het is deze gekke oud-acteur die Me vraagt om hem in dienst te nemen als slaaf. “Soms moet je gewoon accepteren wie je bent en je daarnaar gedragen. Ik ben een slaaf. Dat ben ik nu eenmaal. Voor die rol ben ik geboren.” Node neemt Me Hominy in dienst: “Mijn gezag over deze klinisch gedeprimeerde lijfeigene is me opgedrongen.”
Me en Hominy vatten het plan op om Dickens weer op de kaart te zetten. Dat doen ze vrij letterlijk. Ze schilderen witte strepen op de grond die de contouren van hun opgeheven stadje weer zichtbaar maken en bij de afslag op de snelweg plaatsen ze het bord terug: VOLGENDE AFSLAG – DICKENS.
Problematischer is het besluit van Me om scholen en openbare voorzieningen van Dickens opnieuw te segregeren. “Apartheid heeft Zuid-Afrika verenigd, dus waarom zou het in Dickens niet werken?” luidt Me’s ietwat bizarre argument.
Het zijn deze twee misdaden –de herinvoering van slavernij en van segregatie- die de hoofdpersoon tot een “sellout”, een verrader maken en hem uiteindelijk voor de Supreme Court brengen.

Zoals ik het hier samenvat lijkt The Sellout een tamelijk eenvoudig, rechttoe rechtaan verhaal, maar dat is allerminst het geval. Na de sterke Proloog begint de roman alle kanten uit te waaieren. De lezer krijgt een hoop verhalen, herinneringen, flashbacks voorgeschoteld die allemaal direct of indirect wel iets te maken hebben met het wedervaren van ik-verteller en hoofdpersonage Me, maar het lijkt allemaal zo richtingloos, zo kabbelend en keuvelend, dat je je afvraagt: waarom dit en niet iets anders? Waar gaat dit heen? U hoort mij niet pleiten voor een eenstemmige verteltrant of zogenaamd psychologisch realistische personages, integendeel, maar dit boek is wel erg flodderig geweven, veel te weinig doorgecomponeerd om althans mijn aandacht gaande te houden. De verrader verzandt in uitweidingen en associaties die soms wel virtuoos zijn opgeschreven, maar die me allengs steeds minder konden boeien.

Ook de stijl én de humor, uitgerekend de meest geroemde eigenschappen van dit boek, kwamen na een tijdje zo geforceerd over dat ik er alleen nog moe van werd. De verbale krachtpatserij, de boutadezucht, het o zo graag o zo grappig willen zijn – het is allemaal o zo nadrukkelijk, zo gekunsteld, en soms gewoon onbegrijpelijk: “Hij was zo donker als een onbetaalde elektriciteitsrekening.” Huh?

De Nederlandse vertalers Gerda Baardman en Bart Gravendaal hebben ongetwijfeld hun stinkende best gedaan om dit Californische hyperproza recht te doen, maar dit Nederlands danst niet, brandt niet, bijt niet. Het blijft heel dicht bij de brontaal, die dan weer heel dicht bij een heel specifieke, idiomatische spreektaal aanleunt – en dat is voor een vertaler altijd hachelijk.  Zegt slaaf Hominy: “Well, you musta stuck yo’ hand up Godzilla’s asshole, cuz you gotta green thumb like a motherfucker.” Vertaling: “Uw hand moet in Godzilla’s reet hebben gezeten, want u hebt motherfucking groene vingers.” Keurig vertaald, maar wie zegt zoiets? Vertalen is hier vaak slechts damage control: “Get some pussy” (“zoek wat te neuken”), “a shitload of white spray paint” (“een lading witte spuitverf”), “the breaks were dominated by straight-edge Jesus freaks” (“de branding werd gedomineerd door straight-edge-jezusfreaks”), “a fucking race pervert” (“een fucking rasgeilneef”?), en soms zitten de vertalers er gewoon naast: “class oppression garbage” is natuurlijk nooit “klassenonderdrukkingsgeluk”, wat sowieso al een onwoord is.

Laat ik, om te verduidelijken waarom deze roman misschien wel onvertaalbaar is, een alinea uit het origineel vergelijken met de vertaling ervan. Dit komt uit een dialoog tussen Me en ene King Cuz, tijdens een bijeenkomst van de leden van de Intellectuelen van de Dum Dum Donut, lang na de dood van Me’s vader.
“All right, Cuz. Why do you go to these meetings? Shouldn’t you be out slanging and banging?”
(Oké, Cuz. Waarom kom je naar die bijeenkomsten? Moet je niet achter de handel en de wijven aan?)
“It used to be I’d go to listen to your father. Rest in peace, that nigger ran deep, for real.”
(Vroeger kwam ik altijd naar je vader luisteren. Hij ruste in vrede, die nigger ging echt serieus diep.)
“But now I just go in case these Dum Dum niggers get the notion to actually set foot in the hood, blowing the spot up and all. That way I can at least give the homies some Paul Revere-like advance notice. One if by Land Cruiser. Two if by C-class Mercedes. The bougies are coming! The bougies are coming!”
(Maar nu ga ik alleen nog voor het geval dat die Dum Dum-niggers gaan denken dat ze hier voet aan de grond kunnen krijgen, hun bek niet kunnen houden en zo. Op die manier kan ik de homies op zijn minst van tevoren op de hoogte stellen, zoals Paul Revere in de Amerikaanse Revolutie. Eén als ze per Land Cruiser komen, twee als ze per Mercedes C-klasse komen. De burgermannetjes komen! De burgermannetjes komen!)

Alles wringt en kraakt hier. “Slanging and banging” is muziek, “achter de handel en de wijven aan” is niets. “That nigger ran deep” is idiomatisch, “die nigger ging echt serieus diep” klinkt zo fout als wat. (Waarom trouwens “nigger” niet vertalen door “neger”?) “Blowing the spot up and all” heeft niets te maken met “hun bek niet kunnen houden” maar betekent waarschijnlijk gewoon de plek opblazen. En de culturele verwijzing naar de Midnight Ride van Paul Revere gaat, vrees ik, helemaal verloren, ondanks de toevoeging van de vertalers “in de Amerikaanse revolutie”. 

Paul Revere was een zilversmid uit Boston die de burgermilitia in Lexington zou waarschuwen zodra de in Boston gelegerde Britse troepen in beweging kwamen. Revere zou de rebellen aan de overkant van de rivier laten weten welke route de Britten namen door in een kerktorentje in Boston één dan wel twee lantaarns te ontsteken: “One if by land, and two if by sea.” In Beatty’s parodie: “One if by Land Cruiser. Two if by C-class Mercedes.” In de nacht van 18 april 1775 was het zover, en galoppeerde Revere naar Lexington waar hij de zogeheten Minute Men waarschuwde: “The British are coming!” In Beatty’s parodie: “The bougies are coming!”
En zo zit de roman vol min of meer geslaagde grapjes, knipoogjes en parodietjes die ook in de beste vertaling niet zouden overleven omdat ze te cultuurspecifiek, te contextafhankelijk zijn.

Beatty heeft een ambitieuze roman willen schrijven over racisme in de VS vroeger en nu. Maar The Sellout heeft geen sterke structuur en drijft te veel op verbaal geschmier en flauwe humor. De verrader roept de vraag op of je dit soort boeken wel moet, wel kunt vertalen. Misschien is het raadzamer een roman als The Sellout radicaal te laten herschrijven door een echte auteur, iemand die de geest en wellicht ook de anekdotiek van de roman respecteert, maar het boek stilistisch heruitvindt.


Paul Beatty, De verrader. Vertaald door Gerda Baardman en Bart Gravendaal. Amsterdam: Prometheus, 2017.






        

13 november 2016

Trump is nog geen president

-->

Volgens de recentste (13 november) gegevens heeft Hillary Clinton ruim zeshonderdduizend stemmen méér behaald dan Donald Trump. In een normale democratie heeft Clinton dan ook de verkiezingen gewonnen. Niet in de VS.


Omdat de Amerikaanse founding fathers de politieke oordeelkundigheid van "het volk" niet vertrouwden, bedachten ze het Electoral College, een systeem dat als een noodrem kon fungeren in case of an emergency. Wat voor noodgeval? Wanneer het volk dreigde iemand tot president te maken die voor dat ambt niet geschikt is. 

(Wie nog eens een rustig en helder artikel over het ontstaan en de functie van dit Electoral College wil lezen, verwijs ik graag naar http://www.snopes.com/2016/11/11/the-electoral-college-and-the-popular-vote/ The Electoral College and the Popular Vote : snopes.com.)

De tragiek van deze verkiezingsuitslag is dat dit systeem vandaag averechts werkt: het dreigt uitgerekend iemand ongeschikt tot president te maken. Iemand voor wie Alexander Hamilton en de andere bedenkers van het Electoral College het Amerikaanse volk nu net wilden behoeden.

Het Electoral College was nooit bedoeld om van losers winners (en vice versa) te maken. Maar dat is wat nu gebeurt. Dit verklaart meteen ook waarom er wel eens post-electorale rellen zouden kunnen uitbreken op een schaal die we nooit eerder hebben gezien en die niemand wenselijk acht.

In tegenstelling tot wat zo ongeveer iedereen in de media uitkraamt, is Trump nog niet verkozen tot president. Dat gebeurt pas echt op 19 december in het Electoral College. Daar ligt nog een laatste, volkomen grondwettelijke mogelijkheid om Trump het presidentschap te ontzeggen. Als de Amerikanen nu geen gebruik maken van deze legale noodremprocedure, dan kan het Electoral College maar beter worden afgeschaft. Dan is de tijd gekomen om de Amerikaanse kiezer in de toekomst simpelweg te vertrouwen. En de meerderheid van die kiezers heeft, ik kan het niet vaak en hard genoeg herhalen, voor Clinton gekozen.



28 september 2014

CARAVANTIS


 

Cyrille Offermans over Caravantis



(Dit is een bekorte weergave van de rede die de Nederlandse essayist Cyrille Offermans uitsprak bij de presentatie van Caravantis in Antwerpen, op 27 september 2014.)



Misschien is het goed als ik bij wijze van inleiding vertel dat Frank en ik geen vreemden voor elkaar zijn, sterker, we kennen elkaar al heel lang. Frank was begin deze eeuw een jaar of vijf, denk ik, hoofdredacteur van De Standaard der Letteren, en in die tijd heeft hij mij regelmatig om medewerking gevraagd, wat ik natuurlijk graag deed. Frank hield daarmee op – en dat zegt iets over zijn principiële houding – toen er een nieuwe hoofdredacteur werd aangesteld, die met allerlei populariserende maatregelen kwam; logischerwijs betekende dat ook het einde van mijn medewerking aan die krant. Er was, zult u begrijpen, hoe dan ook sprake van op zijn minst enige literaire verwantschap tussen Frank en mij, al was, of is, Frank ook bijna een generatie jonger dan ik.
   Ik vertel dit om duidelijk te maken dat ik bij de aankondiging van zijn roman Caravantis wel al een vaag idee had van wat ik kon verwachten: het zou beslist geen alledaagse roman zijn, geen boek dat ons een aangename herkenningsmelodie zou voorspelen. Het zou eerder een verontrustend boek zijn, een boek dat ons een spiegel zou voorhouden waarin we een weinig flatteus beeld van onszelf te zien zouden krijgen. En dat leek ik ditmaal wel heel persoonlijk en concreet te moeten opvatten: bij het doornemen van de inhoudsopgave stuitte ik op iemand met mijn voornaam, een zekere Cyrille. Daar schrok ik even van. Cyrille is, althans in Nederland, en gespeld met –lle, een hoogst ongebruikelijke naam – zou Frank via deze roman nog een appeltje met mij hebben willen schillen? Het zou kunnen, we hadden elkaar de laatste jaren nooit meer gezien, misschien waren we flink uit elkaar gegroeid, wie weet hoe hij in die tijd over mij was gaan denken.

Cyrille Claes blijkt met voorsprong de saaiste, middelmatigste, vervelendste man van het westelijk halfrond te zijn. Hij is gespeend van elke verbeeldingskracht, hij zingt met al zijn handelingen en uitspraken uitsluitend de lof van het bestaande en van de rimpelloze aanpassing. De man heeft een afkeer van het toeval, verrassingen zijn uitgesloten, bij alles wat hij doet kun je de klok gelijk zetten. Cyrille Claes vindt niets zo erg als onverwacht bezoek. En zijn vrouw, Suzanne, is zijn perfecte partner. Op dat punt gekomen begon ik te vermoeden dat ik spoken zag, zo’n harteloos en reactionair beeld kon Frank toch moeilijk van me hebben. En bovendien: waarom zou hij me anders hebben gevraagd hier, bij de presentatie van zijn roman, iets te zeggen?

Caravantis is een betrekkelijk complex maar zeker geen hermetisch boek, het is integendeel, zeer toegankelijk. De roman vraagt aandachtige lezers, liefst lezers die niet onmiddellijk denken dat zij model hebben gestaan voor bepaalde personages. Het kan zijn dat u zich aanvankelijk enigszins gedesoriënteerd voelt, maar dat hoeft niet tot paniek te leiden. Er lopen in het boek diverse, discontinue verhaallijnen die soms op afstand, op flinke afstand worden voortgezet en elkaar kruisen. Het is onmogelijk en ongewenst die hier allemaal te volgen, maar via Suzanne, de echtgenote van Cyrille Claes, duiken we in het hart van de roman. Suzanne heeft een baan bij het Iasco, een soort studie- en onderzoeksinstelling in de republiek Caravantis, ergens in Europa. Via die instelling haalt zij het toeval in huis in de persoon van een Amerikaanse journalist die door zijn baas wordt uitgezonden om voor de Wyoming Times poolshoogte te gaan nemen in de republiek Caravantis, waar iets onverklaarbaars en sensationeels moet zijn gebeurd.

Wyoming, het thuisland van de journalist, is voor de lezer van Frank Albers geen onbekende. In Beatland (2007), zijn reisboek in het spoor van Jack Kerouacs On the Road, lezen we onder meer dat die staat zes maal zo groot is als Nederland maar met niet meer dan een half miljoen inwoners uiterst dun bevolkt. Uit dat boek weten we ook dat het de saaiste staat van de VS is, de ideale biotoop voor Cyrille Claes zou je zo zeggen, met dit verschil dat de bewoners van Wyoming hun verveling bestrijden met een extreme alcoholconsumptie. In het betreffende hoofdstuk last de auteur een passage in over Europa, die de kiemcel van Caravantis lijkt.
Europeanen, heet het hier, zijn mensen zonder dromen, of liever: ‘ze zijn bedrogen en getraumatiseerd door hun eigen twintigste-eeuwse maatschappijdromen,’ bijgevolg zijn ze niet meer te vinden voor een nieuw utopisch project. Toch is zo’n nieuw utopisch project precies waar de roman Caravantis over gaat. Dat project komt niet uit de lucht vallen, het is geen wild en volstrekt onwaarschijnlijk bedenksel van de auteur, het ligt eerder in het verlengde van reële, maar al te bekende, om niet te zeggen verontrustende ontwikkelingen. Niettemin verwijdert het boek zich ver van de gebruikelijke realistische roman.
   Er gebeuren vanaf de allereerste zin dingen die normaliter niet kunnen – een baby die al meteen na de geboorte blijkt te kunnen spreken, een jongen (in de republiek Caravantis) van twaalf meter lang – maar die dingen, zo blijkt later, zijn een uitvergroting, meestal satirisch getoonzet, van wetenschappelijke ontwikkelingen en van bedenkelijke maatschappelijke en politieke tendensen die ons, zoals gezegd, wel degelijk bekend voorkomen.

   Bij gebrek aan soortgelijke boeken in de Nederlandse literatuur is het moeilijk deze roman te typeren; het meest heeft ie weg van een dystopie, zoals u weet het tegenovergestelde van een utopie, een boek in de lijn dus van Orwell’s 1984. Maar de republiek Caravantis is, zoals alle Europese dictaturen van de twintigste eeuw, begonnen als utopie. Het boek bevat een lange toespraak van de directeur van Iasco, het zojuist genoemde onderzoeksinstituut, waarin de utopische principes van Caravantis worden gemotiveerd in het perspectief van eerdere, bekendere utopieën. 

Europa

Europa, stelt die directeur, is ‘een intellectueel leeggebloed continent’, ‘een uitgeputte beschaving die op het punt staat te bezwijken aan dezelfde kwalen die in het verleden al menige beschaving hebben uitgemergeld: lethargie, zelfoverschatting, een dodelijk gebrek aan moed, energie en ideeën. Europa is stokoud,’ verzucht hij, ‘een bloedarmoedig ventje dat zich nog slechts warmt aan de tanende gloed van een roemrijk verleden.’ Maar Europa heeft ook leergeld betaald: het kent na Auschwitz en de Goelag de prijs voor overspannen dromen. Derhalve kon Caravantis, als het zich wilde onderscheiden ‘van andere staten op dit versufte continent’, ‘geen revolutionaire idealen,’ ‘geen ambitieuze politieke droombeelden’ meer koesteren. En dan komt de langverwachte aap uit de mouw: Caravantis heeft ervoor gekozen ‘om de wereld te aanvaarden zoals de wereld is.’ En dat alles onder het motto: ‘Gelukkig is de mens zonder verbeelding.’ Hij zegt het er niet bij, maar voor de lezer is het duidelijk: Cyrille Claes is de modelburger van Caravantis.

Caravantis is, in weerwil van de nagestreefde utopie van de eenvormigheid in zijn fictieve modelstaat, een prachtig toonbeeld van het tegendeel, van veelvormigheid, ook stilistisch; de verhalen tuimelen over en door elkaar zonder dat het een onbegrijpelijke warboel wordt. Caravantis is geen experiment in de schemergebieden van een uitgeholde syntaxis, geen excursie in de puinhopen van de afgeschreven roman. Eerder is het een impliciet pleidooi voor een geëngageerd en vormbewust intellectualisme.

Misschien klinkt het in mijn uiteenzetting af en toe wat zwaar op de hand, maar de lezer zal snel ontdekken dat het bovenal een bijzonder geestig en vindingrijk boek is, al is het niet uitgesloten dat hij in de soms deerniswekkende, soms ook vooral verachtelijke mensensoorten die het boek bevolken af en toe een uitvergroot beeld van zichzelf meent tegen te komen,  zoals ik me uiteindelijk toch niet helemaal aan de indruk kan onttrekken dat er in die Cyrille Claes misschien toch meer van mijzelf zit dan me lief is.

Ik wens u straks veel leesgenot.     

    
 (cover Caravantis: Koen Van den Broek, Gio Ponti, 2013, Courtesy Figge von Rosen Galerie)

04 april 2013

Wat als... Shakespeare nu eens geen nieuws was?

William Shakespeare kreeg de afgelopen week veel aandacht in de pers. Reden: een nieuwe studie van vorsers in Wales zou hebben aangetoond dat Shakespeare behalve een geniaal schrijver ook “een gehaaid zakenman” was. De nieuwswaarde van deze nog niet eens verschenen studie lijkt uiterst gering. Alle tot nu toe vermelde feiten zijn al jaren bekend. Waarom haalde het verhaal dan toch de media? Bedenkingen bij een sterk staaltje van estafettejournalistiek: perslui die niets checken en elkaar klakkeloos afschrijven.

***

Het begon in het paasweekend. Jayne Archer, een jonge onderzoekster aan de Aberystwyth-universiteit (Wales), onthulde in de Britse krant The Sunday Times de grote lijnen van een Shakespearelezing die ze volgende maand op een literair festival in Wales zal houden. In die lezing betoogt ze volgens de krant dat Shakespeare behalve een geniaal schrijver ook een gehaaid zakenman was. Hij zou ten tijde van hongersnood voedsel hebben gehamsterd dat hij tegen woekerprijzen verkocht. Hij zou meermaals in aanraking met het gerecht zijn gekomen wegens belastingontduiking. Hij zou zijn fortuin dus deels op illegale wijze hebben verkregen. En deze ‘ontdekkingen’ zouden ook een nieuw licht werpen op sommige van Shakespeares stukken.

De Britse zondagskrant vond de bevindingen van Archer en haar team zo opzienbarend dat ze er een redactioneel commentaarstuk aan wijdde (“Much Ado About Dodging”). Daaruit bleek dat ook sommige Britse journalisten pijnlijk weinig afweten van hun eigen grootste schrijver. Het is immers al lang bekend dat Shakespeare er onfrisse handelspraktijken op nahield, kleine schuldenaars dagvaardde en de fiscus tilde. Zowat iedere recente editie van Shakespeares Verzameld Werk maakt er melding van. “We weten een heleboel over the less exciting aspects of his life,” zuchtten de tekstbezorgers van The Oxford Shakespeare al in 1986, “zoals zijn handelszaken en zijn belastingsschulden.” Waarna de geleerden niet minder dan tien juridische, financiële en fiscale conflicten opsomden waar Shakespeare bij betrokken was, nu eens als beschuldigde en dan weer als schuldeiser. Ook in de vele populariserende biografieën die de laatste jaren zijn verschenen worden de duistere kantjes van Shakespeares bestaan niet ontweken. Patrick Honan, Stephen Greenblatt, Peter Ackroyd, Bill Bryson,… allemaal hebben ze erop gewezen, soms zelfs gehamerd, dat Shakespeare ook een zakenman was, een belastingontduiker, een kredietverschaffer, een wanbetaler en een woekeraar (net als zijn vader trouwens, een notoir sjacheraar in Stratford-upon-Avon). En de Canadese onderzoeker Leslie Hotson schreef al in 1931 (!) dat Shakespeare betrokken was bij gangsterpraktijken in de Londense onderwereld, een verhaal dat twee jaar geleden in het blad van The Smithsonian Institute nog eens is naverteld. (http://blogs.smithsonianmag.com/history/2011/11/william-shakespeare-gangster/).

Kortom, niets van wat de onderzoekers uit Wales volgens de Sunday Times zouden hebben ontdekt is werkelijk nieuw te noemen. En of hun visie de bestaande interpretaties van stukken als King Lear en Coriolanus nu zo wezenlijk zal beïnvloeden, is nog maar de vraag.

Maar kijk: nog diezelfde paaszondag namen diverse Britse media het bericht over. Vervolgens verspreidde het persbureau Associated Press het niet-nieuws wereldwijd onder de titel “Study shows Shakerspeare as ruthless businessman” en ja hoor, luttele uren later stond er op de vrt-nieuwssite te lezen: “William Shakespeare was een meedogenloze zakenman.” Waarna het verhaal ook buitengewoon prominent in De Standaard en op de site van Knack terechtkwam, net als op inmiddels ontelbare nieuwssites elders in de wereld. Kennelijk vond geen enkele journalist het nodig om een en ander te checken, een specialist te contacteren of zelf iets na te pluizen.

Beduusd en geërgerd door zoveel enthousiaste estafettejournalistiek –een medium lanceert een bericht en andere media nemen het klakkeloos over- heb ik het bericht dan getoetst bij de bron. Ik stuurde een mailtje naar Jayne Archer met de vraag of ik haar paper mocht lezen. “De massale persaandacht die uw gesprek met de Sunday Times heeft ontketend doet me vermoeden dat u harde, opzienbarende nieuwe feiten heeft ontdekt ter ondersteuning van de overigens niet geheel nieuwe stelling dat Shakespeare een gehaaid zakenman was.”

Nog diezelfde dag (woensdag 3 april) schreef de onderzoekster mij terug dat ze geen enkel nieuw feit heeft ontdekt. “The study simply explores the theoretical implications of reading the plays in light of the extant evidence of Shakespeare's business practices (those relating to food production and supply in particular).” (De paper stuurde ze me niet.)

“In het licht van bestaand bewijsmateriaal!” De onderzoekster bevestigde dus zélf dat haar studie, in weerwil van wat zovele media de afgelopen week hebben geschreven of gesuggereerd, geen nieuwe historische inzichten bevat. Een simpel mailtje naar Wales volstond om dat te achterhalen.

(Deze tekst werd na overleg met De Standaard op donderdag 4 april exclusief voor De Standaard geschreven en vervolgens door De Standaard geweigerd.)

30 april 2012

Hoezo ongewenste intimiteiten?

Zolang deze beeldtaal in de media niet wordt VERBODEN, heeft alle verontwaardiging over mannen met losse handjes iets naïefs. Alle moedige outings, alle terechte en begrijpelijke woede over de Pollekes en de Jos Gysens van deze wereld: Kurieren am Symptom

03 oktober 2011

Over Amerika

http://internetradio.vrt.be/radiospeler/v2_prod/qt.html?qsbrand=11&qsODfile=/media/audio/13082011frankalbers

01 december 2010

Het Nieuw Wereldtijdschrift is tien jaar dood





1 december 2010: tien jaar geleden verscheen het laatste nummer van het Nieuw Wereldtijdschrift. Zou zo’n tijdschrift vandaag in Vlaanderen nog denkbaar, leefbaar en nuttig zijn?




Het Nieuw Wereldtijdschrift was geen gewoon literair blaadje. Herman de Coninck wilde een tijdschrift maken waarin “literatuur inzake zinvolheid moet concurreren met edeljournalistiek”, zoals hij het zelf ooit formuleerde. Hij wilde de literatuur uit haar ivoren toren halen, de ramen openzetten, weg met de gezapigheid en de navelstaarderigheid die literaire clubjes en blaadjes al te vaak kenmerken. Hij wilde de literatuur uitdagen “om zinniger en eigengereider over de wereld te schrijven – in plaats van over ‘Ik en mijn navel’.”

Geïnspireerd door buitenlandse voorbeelden als Avenue, Vanity Fair en ja, Playboy (de interviews natuurlijk), maakte De Coninck van het NWT een literair blad met een journalistieke drive en een journalistiek blad met literaire allures. Naast gedichten en verhalen en recensies las je er essays en reportages over de meest uiteenlopende onderwerpen in de meest diverse stijlen. Zo kon je in eenzelfde nummer stukken lezen over Jacques Brel, de Talking Heads, Anton van Wilderode, het brein van Ronald Reagan – naast gedichten van Charles Ducal en een kortverhaal van Willem van Toorn. Van zijn goede vriend Jan Wauters publiceerde De Coninck geregeld stukken over sport. Op de cover stonden vaak foto’s van schrijvers maar ook van The Rolling Stones, de Eiffeltoren, een getekende blote kont, een spotprent en zelfs eens een afgrijslijke afbeelding van een slappe lul. De maker van het NWT was een veelzijdig en nieuwsgierig man, en dat zag je aan zijn blad.

Er moest “veel wereld” in het NWT, vond De Coninck. Die betrokkenheid van de literatuur bij wat er in de wereld omgaat, was voor hem essentieel. Meer dan een of andere poëtica was dat de bestaansreden van zijn blad. Van die lijn is hij ook nooit afgeweken. Op 20 mei 1997 schreef hij aan zijn redactieleden: “Wat doen we met de inspiratie van ons blad? De wereld gaat naar de verdommenis. Vroeger had het kapitalisme nog een vijand, sinds de val van de muur wordt het niks meer in de weg gelegd. De maatschappij waar wij in ’68 tegen protesteerden, was een stuk beter dan de huidige. Vandaag protesteert niemand nog. Moeten wij daar niet eens een nummer aan wijden? (…) We moeten onze uiterste best blijven doen om de literatuur erbij te blijven betrekken, bij deze onbegrijpelijke wereld: laat dat maar de doelstelling van het NWT wezen.” Twee dagen later viel hij dood neer op een stoep in Lissabon.


In die dertien jaar heeft De Coninck met zijn NWT in Vlaanderen een kleine revolutie teweeggebracht. “De uitstraling van het blad heeft mede het publieke imago van de literatuur grondig veranderd: ondogmatisch, eclectisch, niet vies van mode en actualiteit, wars van inteelt en tobberigheid, intelligent zonder intellectualistisch te zijn. Het heeft de literatuur uit haar getto gehaald,” schreef Hugo Brems in het aan De Coninck gewijde dubbelnummer van het NWT dat na diens dood verscheen.Brems zag in De Conincks tijdschrift een utopisch project: “een programma waarin de literatuur intens op de werkelijkheid betrokken is (…) en waarin niet zo gauw plaats is voor de allerindividueelste expressie van de allerindividueeelste emotie of voor hermetische experimenten aan de grens van de taal.”



Na de dood van Herman de Coninck besloten de literaire uitgeverij Atlas en de krant De Morgen om het blad samen weer uit te geven. Het NWT zou voortaan maandelijks verschijnen, zoals de bezieler het altijd had gewild, en kreeg een nieuwe, tweekoppige hoofdredactie: Bernard Dewulf en ik mochten Herman de Coninck spelen. In mei 1998 kwam het NWT opnieuw op de markt, het eerste nummer zat gratis bij een weekendeditie van De Morgen, wat het blad een spectaculaire doorstart gaf. Het commerciële streefdoel was een verkochte oplage van tienduizend exemplaren. Die hebben we nooit gehaald. Het blad bleef hangen op vijfduizend, wat nog altijd een veelvoud was van alle andere literaire bladen bij elkaar, maar onvoldoende om niet verlieslatend te zijn. Atlas stapte er al snel uit, waarna De Morgen het blad bleef uitgeven tot eind 2000. Toen verdween het tijdschrift voorgoed van de markt.


Nu, tien jaar later, kom ik nog altijd mensen tegen die de afwezigheid van het NWT betreuren, die vinden dat een soortgelijk blad opnieuw zou moeten verschijnen. Is dat verlangen meer dan nostalgie? Heeft de dood van het NWT echt een leemte in de Vlaamse journalistiek nagelaten?

Ja en nee. De grootste evolutie in het media-landschap tijdens de afgelopen tien jaar is natuurlijk de explosie van het internet. Daar vind je veel steengoede journalistiek en literaire essayistiek, over alle onderwerpen en in alle talen. De generatie internetlezers die inmiddels is ontstaan heeft wellicht niet meer zo’n behoefte aan een beetje een chic, intelligent cultureel maandblad op papier. Maar voor wie die behoefte nog wel heeft, lijkt er in de Vlaamse cultuurjournalistiek inderdaad toch wel iets te ontbreken. Bladerend door oude NWT’s kom ik stukken tegen waarvan ik me afvraag: waar in de Vlaamse pers vandaag zou je dit nog kunnen lezen? Dat geldt in de eerste plaats voor het langere literaire essay, het genre dat het NWT jarenlang heeft gekoesterd en verwend. Een losse greep: Bruno Bettelheim over “getto-denken.” (11 blz.) Rudy Laermans over de kitsch van popmuziek. (6 blz.) Jane Smiley over “huwelijk, seks en kapitalisme.” (12 blz.) Piet Meeuse over de brieven van Marcel Duchamp. (9 blz.) En Vargas Llosa over zijn deelname aan de Peruaanse presidentsverkiezingen: twintig bladzijden! Nee, voor zulke stukken is in de Vlaamse cultuurpers al lang geen plaats meer. Er is geen enkel blad op de Vlaamse markt dat systematisch toegankelijke, kwaliteitsvolle en gevarieerde literaire essayistiek brengt zoals het NWT dat al die jaren heeft gedaan.

De ironie wil dat de laatste uitgever van het NWT – De Morgen – in zekere zin ook de grootste concurrent van het blad was. In de jaren negentig woedde er tussen de zelfverklaarde kwaliteitskranten De Standaard en De Morgen namelijk een heftige concurrentie op het vlak van cultuurjournalistiek. Beide kranten brachten niet alleen meer dan behoorlijke boekensupplementen, ze investeerden ook in interessante weekendkranten. Onder literaire bladen had het NWT geen rivalen, maar het blad moest wél opboksen tegen de weekendedities van De Morgen en De Standaard. Dat zou nu veel minder het geval zijn. De tijd dat Vlaamse kranten cultuurjournalistiek op hoog niveau een erezaak vonden, is lang voorbij. De logica van oplagecijfers en marktaandelen heeft nu veel meer invloed op de kwaliteitspers dan vijftien jaar geleden. Een titel die niet rendabel is heeft in de hoofden van mainstream media-uitgevers geen enkele bestaansreden meer. Dat is droevig maar niet verwonderlijk, de concurrentie in die markt is nu eenmaal bikkelhard.

De vraag is niet of er vandaag nog een markt is voor een blad als het NWT. Winstgevend is het NWT nooit geweest, ook niet onder De Coninck. Het papier werd met de jaren dunner, de oplage stagneerde om en bij de 3500 exemplaren en de hoofdredacteur was halftijds betaald. De vraag is of er vandaag nog een uitgever te vinden zou zijn die het zich kan permitteren om een titel uit te brengen die haast per definitie verlieslatend is, maar waarvan de relevantie niet door de boekhouder wordt bepaald. Een tijdschrift als The New Yorker heeft zelden winst opgeleverd maar altijd wel een uitgever gevonden die het culturele belang van het blad hoger schatte dan het commerciële nut. En er zijn uitzonderingen: in Nederland is de literaire glossy Hollands Diep van De Bezige Bij-directeur Robert Ammerlaan met zestigduizend verkochte exemplaren ook commercieel een succes. Maar in het huidige persklimaat in Vlaanderen zal het NWT tot nader order blijven wat het volgens Hugo Brems altijd al was: een utopie.